direct naar inhoud van Toelichting
Plan: De Pijp 2018
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In bestemmingsplannen wordt het meest recente ruimtelijke beleid opgenomen en vertaald naar regels voor het gebruik van gronden. Omdat beleid geen onbeperkte houdbaarheid heeft, schrijft de Wet ruimtelijke ordening voor dat bestemmingsplannen actueel moeten blijven. Actueel betekent dat het bestemmingsplan jonger is dan 10 jaar.

Omdat bestemmingsplan De Pijp 2005 voor 1 juli 2008 (inwerkingtreding Wet ruimtelijke ordening) onherroepelijk is geworden, dient conform artikel 9.1.4 vierde lid van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening binnen 10 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan een nieuw bestemmingsplan te worden vastgesteld. Bestemmingsplan De Pijp 2005 is op 11 juni 2008 onherroepelijk geworden. Dit houdt in dat de gemeenteraad voor het plangebied waarvoor dit bestemmingsplan van kracht was, vóór 11 juni 2018 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld moet hebben. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hier in.

Naast deze verplichting vanuit de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening geldt tevens dat het ruimtelijke beleid uit het bestemmingsplan De Pijp 2005 niet langer aansluit bij de ruimtelijk-economische visie op de wijk. Het gebied De Pijp wordt gekenmerkt door een hoge dynamiek. De stedelijkheidsgraad neemt steeds meer toe, met als belangrijk vliegwiel de komst van de Noord/Zuidlijn. Hoogstwaarschijnlijk zal in najaar 2017 deze metrolijn in gebruik genomen worden en de afstand tussen Amsterdam Noord, het centrum, Amsterdam Zuid, de Zuidas en uiteindelijk Schiphol in tijd laten afnemen. De drempel om naar De Pijp te gaan vanuit verder gelegen delen van de stad, wordt verlaagd. Het Museumplein is straks sneller te bereiken met de metro dan met de tram. De verbinding tussen De Pijp en het Museumplein wordt steeds intensiever gebruikt.

De Pijp staat eveneens bekend als gebied met veel uitgaansgelegenheden, kleine bedrijfjes en veel woningen. Langzamerhand neemt door de populariteit van de wijk de druk op het woon- en leefklimaat toe. Er komen steeds meer grotere winkels, meer horeca en meer mensen die weinig binding hebben met de wijk (hotelgasten, short stay, long stay, expats). Dit wordt bevestigd in de nota Stad in Balans:

"Amsterdam is groter dan de grachtengordel. Al jarenlang verbeteren veel buurten zich tot aantrekkelijke woon- en werkgebieden. De Pijp, de Baarsjes, Bos en Lommer en de Watergraafsmeer ondergingen een metamorfose" en "Maar er is ook een keerzijde. Deze ambities in combinatie met hetgeen op Amsterdam afkomt, brengen met zich mee dat de druk op de schaarse ruimte van Amsterdam en in het bijzonder van het centrum blijft bestaan en ook groter wordt".

Er ontstaat een behoefte aan een balans tussen de belangen van het toerisme/economie enerzijds en de belangen van de bewoners anderzijds. Het bestemmingsplan De Pijp 2005 biedt niet langer een afdoende ruimtelijk kader om deze ontwikkelingen te reguleren en is aan herziening toe.

1.2 Vigerende bestemmingsplannen en plangrenzen

In de voorgaande paragraaf is voornamelijk gerefereerd aan het bestemmingsplan De Pijp 2005. Dit bestemmingsplan omvatte de gehele woonwijk en het daaraan grenzende water, tot aan de stadsdeelgrenzen en de grenzen van naastgelegen bestemmingsplangebieden. Dwars door het plangebied De Pijp 2005 heen is het bestemmingsplan Noord-Zuidlijn uitgesneden, dat voor de ondergrondse railverbinding tussen Amsterdam Noord en station Zuid/WTC is vastgesteld. In de periode dat het bestemmingsplan De Pijp 2005 van kracht was, zijn er meerdere herzieningen en wijzigingen vastgesteld. Soms lag de aanleiding daarvan in een concrete ontwikkeling (bijvoorbeeld het project Archiefterrein, de Boerenweteringgarage of voor de uitruil van bouwmogelijkheden in de tuin zoals bij Van Ostadestraat 56-62 en Frans Halsstraat 18), maar ook in het herstellen van een regeling die ongewenste ruimtelijke mogelijkheden bood (zoals bij Water in de Pijp, waarbij de bouwhoogte van woonarken is teruggeschroefd van 4 meter naar 2,5 meter). De (grotere) bestemmingsplannen die dermate recent zijn dat zij nog niet herzien hoeven te worden, worden niet meegenomen in de actualisering. Het gaat dan om de bestemmingsplannen Water in de Pijp, Noord/Zuidlijn De Pijp en Boerenweteringgarage 2013.

De plannen die wel herzien worden, betreffen:

Plannaam
 
Vastgesteld   Inwerking getreden   Onherroepelijk  
De Pijp 2005   12-07-2006   21-05-2007   11-06-2008  
Archiefterrein   24-08-2008   02-10-2009   02-10-2009  
Stadhouderskade 55   27-01-2010   21-06-2010   21-06-2010  
Stadhouderskade 92 en 99   30-03-2011   23-05-2011   23-05-2011  
Van Ostadestraat 56-62   25-05-2011   07-09-2011   07-09-2011  
Frans Halsstraat 18   31-10-2012   01-01-2013   01-01-2013  
Van Ostadestraat 233 (De Nieuwe Fabriek)   29-01-2014   08-04-2014   08-04-2014  
Albert Cuypstraat 2-6   16-12-2009   19-02-2010   19-02-2010  
Wijzigingsplan Verplaatsing horeca van Albert Cuypstraat 125 naar 101   12-08-2009   08-01-2010   08-01-2010  

Tabel 1: Overzicht vigerende plannen binnen plangebied De Pijp 2018

Dit leidt tot de volgende begrenzing: in het noorden loopt de plangrens langs de zuidelijke waterlijn van de Singelgracht, in het oosten ligt de grens op de westelijke waterlijn van de Amstel, in het zuiden langs de noordelijke waterlijn van het Amstelkanaal en in het westen volgt de plangrens de oostelijke waterlijn van de Boerenwetering. Uit het gebied zijn het bestemmingsplan zijn het grootstedelijk gebied (grofweg de openbare ruimte van de Ferdinand Bolstraat tussen de Albert Cuypstraat en de Ceintuurbaan) en het bestemmingsplan Noord/Zuidlijn De Pijp (plangrenzen betreffen openbare ruimte van de andere delen van de Ferdinand Bolstraat, inclusief enkele bebouwing aan de oostzijde van de Ferdinand Bolstraat tussen de Stadhouderskade en de Albert Cuypstraat uitgesneden.

De grenzen worden als volgt weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0001.jpg"

Afbeelding 1: plangrenzen bestemmingsplan De Pijp 2018

1.3 Bestemmingsplanprocedure

Voorafgaand aan de voorbereiding van het bestemmingsplan, is een startnotitie opgesteld. De uitgangspunten die gehanteerd zijn bij het opstellen van het juridische gedeelte van dit bestemmingsplan, zijn in de zomer en het najaar van 2015 besproken tijdens een informatieavond. De uitgangspunten die in concept zijn opgesteld, werden daar thema-gewijs toegelicht en besproken. Tevens zijn de concept-uitgangspunten besproken in ruim 50 straatinterviews en hebben diverse ondernemers en andere belanghebbenden hun reactie kunnen geven in diverse gesprekken. De opmerkingen vanuit de bewoners en ondernemers zijn aan het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid voorgelegd en hebben op een aantal punten geleid tot aanpassingen van de concept-uitgangspunten. Op 17 november 2015 heeft het dagelijks bestuur de startnotitie (ook wel Nota van Uitgangspunten genoemd) in concept vastgesteld en ter advisering aan de voorbereidende commissie algemene ruimtelijke ordening & samenleving van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid voorgelegd. Naar aanleiding van de opmerkingen van deze commissie is het stuk aangepast en definitief geworden op 2 december 2015. De definitieve startnotitie is als bijlage 1 opgenomen bij deze toelichting. Het algemeen bestuur heeft kennis genomen van de startnotitie en één motie aangenomen. Deze motie betrof het verzoek aan het dagelijks bestuur om in het bestemmingsplan een regeling op te nemen om luifels te verbieden daar waar laad- en losactiviteiten plaats moeten vinden. Deze regeling is terug te vinden in de Algemene afwijkingsregels.

Het bestemmingsplan De Pijp 2018 is voorbereid conform artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan in concept is voorgelegd aan de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn (het vooroverleg). De vooroverlegreacties zijn samengevat en beantwoord in hoofdstuk "Participatie en vooroverleg" Over dit concept-ontwerpbestemmingsplan heeft tevens participatie plaatsgevonden. De reacties plus de beantwoording zijn terug te vinden in hoofdstuk "Participatie en vooroverleg"

Het ontwerpbestemmingsplan is voor een periode van zes weken terinzage gelegd en ter kennisname toegezonden aan de raadscommissie Ruimte en Wonen. In deze termijn heeft een ieder een zienswijze kunnen indienen. De samenvatting en beantwoording van de zienswijzen zijn opgenomen in een Nota van beantwoording. De wijzigingen die uit de zienswijzen voortkwamen, zijn opgenomen in een Nota van wijzigingen. De gemeenteraad besluit over de vaststelling van het bestemmingsplan.

Na de vaststelling wordt het bestemmingsplan voor een periode van zes weken terinzage gelegd ten behoeve van het kunnen indienen van beroep. Belanghebbenden kunnen dan beroep indienen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Na afloop van de beroepstermijn treedt het plan in werking, behoudens een eventuele voorlopige voorziening. Indien geen beroepen zijn ingediend, zal op die dag ook het bestemmingsplan onherroepelijk worden. Zijn er wel beroepen ingediend, dan zal het bestemmingsplan onherroepelijk worden als de Raad van State een definitieve uitspraak heeft gedaan.

1.4 Leeswijzer

In het volgende hoofdstuk wordt een omschrijving gegeven van het plangebied, uitgesplitst naar bebouwing/vaartuigen, groen, openbare ruimte (verkeer en water) en zal ook een korte omschrijving gegeven van de omgeving. In hoofdstuk 3 wordt de planvisie uiteengezet en worden de ontwikkelingen beschreven die in het bestemmingsplan een plek krijgen. In het vierde hoofdstuk zal een overzicht worden gegeven van de voor de planvisie en ontwikkelingen relevante beleidskaders. In hoofdstuk 5 volgt een overzicht van de milieuregelgeving en de uitkomst van de verrichte onderzoeken. De financiële uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan zal worden toegelicht in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt de structuur van de regels uiteengezet en in hoofdstuk 8 staat participatie en vooroverleg centraal.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

In dit hoofdstuk wordt aan de hand van de ontstaansgeschiedenis van de Pijp beschreven welke diverse bebouwingsvormen voorkomen en welke bebouwing kenmerkend is voor het gebied. Daarnaast wordt ingegaan op het gebruik van de bebouwing en de openbare ruimte.

2.1 Ontstaansgeschiedenis

2.1.1 Karakterisering plangebied

De Pijp ligt ten zuiden van de Amsterdamse binnenstad, ingeklemd tussen het Museumkwartier en de Amstel. De Pijp kwam tot stand op basis van uitbreidingsplannen uit 1866 (J.G. van Niftrik), uit 1875 van J. Kalff en uit 1917 van H.P. Berlage, met uitzondering van het voormalige buurtschap Meerhuizen in het oostelijk deel, tussen de Ceintuurbaan en de Tolstraat. Tot aan de Lutmastraat is de structuur grotendeels gebaseerd op de vroegere slotenverkaveling, vanaf die straat zijn in de bebouwing de planmatige principes van H.P. Berlage gevolgd. De zuidelijke Pijp maakt dan ook onderdeel uit van het grotere Plan Zuid uit 1917. Zowel in het negentiende-eeuwse als vroeg-twintigste-eeuwse deel bestaat bebouwing overwegend uit gesloten bouwblokken.

De Noordelijke Pijp is een nog gaaf voorbeeld van een wijk die gebouwd is voor alle lagen uit de bevolking en die door particulier ondernemerschap aan het eind van de negentiende eeuw tot stand is gekomen. Het zuidelijk deel maakt deel uit van het eerste stedenbouwkundige plan dat volgens de principes van Berlage is uitgevoerd.

De hoofdstructuur bestaat uit drie hoofdassen in noord-zuidrichting (Ferdinand Bolstraat, Van Woustraat en Amsteldijk) en twee hoofdassen in oost-westrichting: Stadhouderskade, Ceintuurbaan. De secundaire assen in noord-zuidrichting zijn de Frans Halsstraat - Hercules Seghersstraat – Dusartstraat) en de Van der Helststraat. In oost-westrichting is dat de Lutmastraat-Pijnackersstraat. Het verloop van de rooilijnen in de noordelijke Pijp is voor een groot deel bepaald door de parcellering van het aan de bebouwing voorafgaande landschappelijke situatie. In de zuidelijke Pijp is deze planmatig vastgesteld.

Karakteristiek voor de stedenbouwkundige opzet van de Pijp zijn de vijf gebieden die belangrijke perioden in de totstandkoming van de wijk vertegenwoordigen:

  • 1. Het voormalige buurtschap Meerhuizen: een organisch gegroeide prestedelijke structuur. Het onregelmatig verloop van de rooilijnen en de incidentele vernauwingen van straten herinnert aan de ontstaansgeschiedenis van dit deel als buurtschap van gemeente Nieuwer Amstel.
  • 2. de Noordelijke Pijp: een op de plannen van Van Niftrik (1868) en Kalff (1876) opgezet gedeelte van lange, enigszins knikkende straten die grotendeels het patroon van de vroegere slotenverkaveling volgen. Kenmerkend is het onderscheid tussen de Frans Halsbuurt met een zeer strak opgezet grid en de rest van de Noordelijke Pijp tot aan de Van Ostadestraat waarvan het grid min of meer de oorspronkelijke slotenverkaveling volgt.
  • 3. De smalle strook 1900 dat volgens een plan van Lambrechtsen van Ritthem en een eerste uitbreidingsplan van H.P. Berlage is bebouwd, gekenmerkt door afgeschuinde bouwblokken en enkele van aanvang af gepland pleinen.
  • 4. Het volgens Plan Zuid van H.P. Berlage uit 1917 aangelegde gedeelte ten zuiden van de Lutmastraat (zie kaart) volgens een orthogonaal stelsel van straten, waarin een duidelijke hiërarchie tussen verbindingsstraten en buurtstraten is aangebracht. Pleinen vormen belangrijk rust- en knooppunten in dit gedeelte.
  • 5. Enigszins los van deze delen kan de bebouwing van de Stadhouderskade, de Ruysdaelkade en de Amsteldijk worden gezien, waarvan sommige bebouwing tot de vroegste van de wijk behoort. Hiervan zijn de Stadhouderskade en de Amsteldijk belangrijke verkeersaders, de Ruysdaelkade is een secundaire verbinding voor de buurt. In het verloop van de Stadhouderskade is nog de aanwezigheid van een vroeger bolwerk te herkennen. De verspringingen in de rooilijn van de oevers kenmerkt het onsystematische en organische karakter in de totstandkoming van de bebouwing langs de kades en oevers.

2.1.2 Ontstaan en ontwikkeling

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0002.jpg" Afbeelding 1: ontwikkeling van de Pijp tussen 1850 en 1996

De Pijp ligt evenals de Concertgebouwbuurt in de Binnendijkse Buitenpolder. Voordat woningbouwondernemers zich voor het gebied buiten de Singelgracht gingen interesseren bestond het in de negentiende eeuw als wijk YY bekend staande gebied vooral uit warmoezerijen, landbouwgebied en buitenplaatsen. De buitenplaatsen waren te vinden langs de Boerenwetering, langs de Singelgracht tot aan de Van der Helststraat en langs de Amsteldijk. In de noordwestelijke punt van deze polder waren naast de kade langs de Singelgracht alleen het Mennonietenpad, een verbinding tussen de Weteringpoort en de Waskaarsenfabriek aan de overzijde van de Boerenwetering en het Noordelijk en Zuidelijk Zaagmolenpad aan weerszijden van de Zaagmolensloot als verbindingen over land te vinden. De rest van het vervoer verliep voornamelijk over water.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0003.jpg"

Afbeelding 2: De Pijp omstreeks 1770

Ten zuiden van de grens Amsterdam-Nieuwer Amstel liepen meer paden van de Amstel tot aan de Boerenwetering zoals Kuiperspad, het Hoedemakerspad (nu: Van Ostadestraat) en het Verwerspad (nu: Tolstraat). De paden begonnen bij de buitenplaatsen die aan de Amstel lagen, daar voorbij ontsloten zij een reeks groentekwekerijen en tuinderijen. Na 1883 werd de verbinding tussen de Pijp en de oude stad via de Weteringbarrière vervangen door de verbinding tussen het Rijksmuseum en de Spiegelgracht. In het verlengde van de Vijzelstraat kwam een brug naar de Ferdinand Bolstraat, het Westeinde werd aangelegd en de verbinding van de Utrechtse barrière werd verbreed.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0004.jpg"

Afbeelding 3: Kaart van Van Eck waarop de loop van de grens is te zien en de rooilijnwisselingen van rond 1900

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0005.jpg"

Afbeelding 4: De Pijp in 1881

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0006.jpg"

Afbeelding 5: De Zaagmolensloot in 1880

Het merendeel van de industrie concentreerde zich rond de Zaagmolensloot in de vorm van een aaneenrijing van houtzaagmolens op beide oevers met kleine inhammen voor de aanlegplaatsen. Deze molens waren al sinds 1638 in gebruik. De sloot mondde aanvankelijk uit in de Amstel en reikte tot aan de later gesloopte stadsherberg 'de Stadtlander'. De sloot werd in 1881 genormaliseerd op 20 meter breedte en het oostelijk einde werd omgebogen naar de Singelgracht tegenover het Oosteinde.

Van de Amsteloevers is de westelijke zijde nauw verbonden met het buurtschap Meerhuizen, dat zich bevond tussen de Ceintuurbaan en de Lutmastraat. Met Amstelveen was het één van de twee dichtst bebouwde buurten van Nieuwer Amstel. Aanvankelijk hadden rijke stedelingen aan de Amsteldijk lusthoven zoals Amstelrust en Rustenburgh, afgewisseld met de daarbij behorende opstallen en boerderijen. Het achtergebied van de Amsteldijk was tot in de negentiende eeuw in gebruik voor warmoezerijen en door molens opgewekte industrie. Van de ontsluitingswegen naar dit achterland was het Verwerspad (de latere Tolstraat) het belangrijkst, daarna verschenen door het plempen van enkele sloten de Rustenburgerstraat (vroeger Rust en Werkpad), de Van Ostadestraat (het Hoedemakerspad) en de Kuiperstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0007.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0008.jpg"

Afbeeldingen 6 en 7: L: Ververpad richting westen, R: Ververpad richting de Amstel

Tussen 1880 en 1900 ontwikkelde hier een kleinschalig woon/werkgebied met veel wagenmakerijen en schildersbedrijven. Dit maakte onderlinge verbindingsstraatjes nodig. Amsterdam was na de annexatie in 1896, waartoe de Nederlandse regering onder veel protest van Nieuwer Amstel in 1896 besloot, gebonden aan de afspraken tussen Nieuwer Amstel en de grondeigenaren. Daarom liet zij in de verdere planvorming voor het geannexeerde gebied de hier aanwezige structuur ongemoeid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0009.jpg"

Afbeelding 8: Kaart van Amsterdam, 1900, uitsnede

De goedkope grond in dit noordelijk gedeelte van Nieuwer Amstel trok ook grootschaliger bebouwing aan zoals de remise van de Amsterdamse Omnibusmaatschappij (hoek Rustenburgerstraat en Amsteldijk, later gesloopt), de Van Leerfabriek en de diamantslijperij Asscher (1907), respectievelijk ontworpen door A.L. van Gendt en G. van Arkel, en het raadhuis (1892, W.J. de Groot en R. Kuipers, nu Gemeentearchief) aan de Amsteldijk. Samen met de Van Leerfabriek aan de Rustenburgerstraat, ontwierp A.L. van Gendt in 1891 kleinschalige arbeiderswoningen die tot de eerste experimenten van de sociale woningbouw behoorden. Omdat de woningbouw steeds meer gebied nodig had, raakten de Van Ostadestraat, Rustenburgerstraat, Kuiperstraat, en Willibrordusstraat naar het westen toe snel bebouwd. Eind jaren negentig werden ook de Ferdinand Bol- en de Van Woustraat verlengd tot aan de Rustenburgerstraat. Soms moest daarvoor bestaande bebouwing wijken, waaronder huizen uit de achttiende eeuw.

In 1891 bouwde Nieuwer Amstel bij wijze van provocatie haar gemeentehuis aan de Amsteldijk, dicht tegen de gemeentegrens met Amsterdam aan. Het heeft maar vijf jaar als zodanig gefunctioneerd. Het gemeentehuis staat ter hoogte van een terrein met veel industrie. Tot aan de Rustenbugerstraat en voorbij de Tolstraat kwam een menging van woonbebouwing, horeca en een belangrijke voorziening als de Tramremise tot stand die dateren uit uiteenlopende bouwperioden. Het Gemeentearchief terrein ondergaat sinds het vertrek van het gemeentearchief in 2007 een grootschalige transformatie.

In deze pre-stedelijke buurt is de organisch gegroeide structuur van belang omdat deze herinnert aan de ontstaansgeschiedenis van het buurtschap. Het industriële verleden in de vorm van voormalige fabrieksgebouwen en drukkerijen is nog herkenbaar. Grote complexen staan tussen woonbebouwing van sterk afwisselende hoogtes. Die variëteit in hoogtes is kenmerkend voor deze prestedelijke buurt.

Veel beplanting is niet oorspronkelijk met uitzondering van de beplanting in de Tolstraat. De later aangelegde beplanting is slechts decoratief en heeft nauwelijks effect op de ruimtelijke werking. De verhouding straatbreedte-hoogte bebouwing varieert, hetgeen het dorpse karakter versterkt.

Negentiende eeuwse planvorming

Van het door Dr. S. Sarphati ontworpen plan uit 1862, het eerste dat voor wijk YY gemaakt werd en dat zich uitstrekte tot aan het Hoedemakerspad (nu Van Ostadestraat), kwam weinig terecht. Het enige dat daarvan gerealiseerd werd, waren de verbindingen met de nieuwe wijk: het Westeinde in het verlengde van de Van Woustraat en het Oosteinde richting de latere Hemonystraat. Het eerste blokje woningen dat gebouwd werd, kwam terecht in de driehoek tussen Stadhouderskade, Gerard Doustraat en Boerenwetering dat nog ontwikkeld is volgens een deelplan van stadsingenieur Van Niftrik uit 1869. Na de afwijzing van zijn uitbreidingsplan uit 1867 dat als te duur en te groots van opzet werd ervaren, had de gemeente hem gevraagd dit plan voor zolang als basis voor de onderhandeling met particuliere bouwers te gebruiken. Het strakke grid dat Van Niftrik ontwierp ontleende hij aan het afgekeurde plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0010.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0011.jpg"

Afbeeldingen 9 en 10: L: J.G. van Niftrik, ontwerp voor noordelijk deel van de Pijp, 1874 R: J.G. van Niftrik, aangepast plan voor noordelijk deel van de Pijp naar aanleiding van verzoek bouwondernemers, 1878

Op verzoek van de bouwondernemers werd in 1876 toestemming verleend om uit oogpunt van rendabiliteit de oost-west geprojecteerde blokken te halveren, zodat aan de geprojecteerde Ferdinand Bol-, Jacob van Campen-, de Frans Hals-, Daniël Stalpaert- en Van der Helststraat en de Ruysdaelkade, de Quellijn- en Saenredamstraat werden toegevoegd. Dit deel van de Pijp was rond 1884 zo goed als helemaal bebouwd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0012.jpg"

Afbeelding 11: J. Kalff, m.m.v J.G. van Niftrik, Uitbreidingsplan 1877, uitsnede 

De rest van de Noordelijke Pijp werd tot aan de gemeentegrens bebouwd volgens het uitbreidingsplan uit 1877 van de nieuwe directeur van Publieke Werken, J. Kalff, dat hij in samenwerking met Van Niftrik maakte. Het was een recht-toe-recht aan plan, waarbij, anders dan in het plan uit 1868, de gemeentegrenzen gerespecteerd werden en de bestaande slotenverkaveling gevolgd werd. Het is een stedenbouw van gesloten bouwblokken met groene binnentuinen, naar analogie van de verkaveling van de grachtengordel. De dertig meter brede Ceintuurbaan vormde de verbinding met de andere uitbreidingswijken, al ging de gemeente er pas in 1903 toe over om door middel van de Nieuwe Amstelbrug een direct verbinding met Amsterdam-Oost te leggen. De invulling van het plan uit 1877 verliep grofweg van het noorden naar het zuiden. De eerste woningbouw verscheen langs de waterlopen en werd voornamelijk gebouwd voor de rijkere burgerij. Tijdens de uitvoering van het Plan Kalff werden er wel enkele wijzigingen aangebracht, zoals de demping van de Zaagmolensloot. Het westelijk uiteinde van het Noordelijk Zaagmolenpad (dus van de Gerard Doustraat) werd niet overbouwd. Dit uiteinde is ondanks schuttingen op de begane grond nog zichtbaar. Tenslotte kregen de Gerard Doustraat en de Albert Cuypstraat aan het westelijke uiteinde op de hoogte van de Frans Halsstraat een knik om een aansluiting te krijgen op de brug over de Boerenwetering.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0013.jpg"

Afbeelding 12: Gerard Doustraat, blik richting een opening in de bebouwing herinnert aan het feit dat de straat hier vroeger doorliep naar de Singelgracht.

De aansluiting van de verkaveling volgens Van Niftriks plan en de voormalige Zaagmolensloot verloopt hier daarom niet zo abrupt als bij de samenkomst van straten ter hoogte van de Van der Helststraat, aan het uiteinde van de Quellijnstraat en ter hoogte van de Eerste Sweelinckstraat en de Nicolaas Berchemstraat. Van Niftrik had in zijn plan van 1867 nog ruimte open gelaten voor de bouw van een Centraal Station. Toen gemeente en rijk kozen voor een locatie aan het IJ, kwam er ruimte voor een park. Het naar Sarphati genoemde park ging in 1886 open en was aangelegd naar een ontwerp van Van Niftrik.

De Stadhouderskade is een belangrijke verkeersverbinding met de andere delen van de stad, waarvan het slingerend verloop herinnert aan de aanwezigheid van de vroegere bolwerken. De kade was een uiterst geschikte plaats voor bedrijven en allerlei instituten, waarvoor in de binnenstad geen plek was. Daaronder bevonden zich onder meer de Heinekenbrouwerij (1866), de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten(1871-1875) en de later afgebroken metaalfabriek Becht en Sijserinck. De Ruysdaelkade is een belangrijke secundaire verbinding in de Pijp met een onregelmatige rooilijn, hetgeen herinnert aan het onsystematisch karakter van de totstandkoming van de bebouwing. Dit wordt duidelijk in de rooilijnverspringing ter hoogte van de Eerste Jan van der Heijdenstraat. De variërende bouwhoogte is vooral aanwezig in de noordwesthoek van de Pijp langs Stadhouderskade en Ruysdaelkade. In de profilering van de Stadhouderskade met twee rijen platanen langs het water en die van Ruysdaelkade is nog de oorspronkelijke aanleg herkenbaar. Langs de Amsteldijk varieert de hoogte en vormgeving van de bebouwing eveneens sterk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0014.jpg" Afbeelding 13: Afwisselende bebouwing langs de Amsteldijk

De architectuur is er van hoge kwaliteit. De woonboten waartussen nauwelijks ruimte is open gelaten, zorgen voor een buffer tussen de kade en de rivier, waardoor het zicht op het water ernstig wordt belemmerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0015.jpg"

Afbeelding 14: Grote gebouwen langs de Singelgracht

In de Noordelijke Pijp zijn nog resten van enkele grootschalige bedrijfsgebouwen te vinden zoals de voormalige auto- en vliegtuigfabriek 'Spijker' aan de Gerard Doustraat. Zij zijn niet zo opvallend, omdat zij in de straatwand zijn opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0016.jpg"

Afbeelding 15: Voormalige Rijtuig-fabriek Spijker, Gerard Doustraat, 1889

Bij de eerste bebouwing van de Pijp werden veel bouwblokken aan de zuidzijde van de Gerard Doustraat iets boven polderpeil gebouwd, ten noorden daarvan werd gebouwd op stadspeil. In 1873 werd besloten dat alle bouwgrond tot stadspeil moest worden opgehoogd; de onderste vloer mocht niet lager zijn dan -65 cm AP, waardoor het aanbrengen van souterrains werd voorkomen. Dat de gemeente Nieuwer Amstel deze voorwaarden niet stelde, blijkt wel uit de helling in de straten tussen de Van Woustraat en de Amsteldijk die nog voor de annexatie in de oostelijke Pijp zijn aangelegd, zoals de Rustenburgerstraat en de Kuiperstraat.

Belangrijk voor het karakter van in de Noordelijke Pijp is de grid-structuur van gesloten bouwblokken met kleine knikken in de wanden die, met uitzondering van de Frans Halsbuurt, verwijzen naar vroegere slotenverkaveling. Dat geldt ook voor het verschil in straatbreedten tussen Albert Cuyp en Govert Flinck en Gerard Doustraat. De Frans Halsbuurt is het enige deel dat een zeer strak grid-structuur kent.

De nieuwe Pijp

Evenals in de Concertgebouwbuurt zijn ook in de Pijp enkele blokken volgens het plan van C.L.M. Lambrechtsen van Ritthem, in deze beschrijving aangeduid met Strook 1900. Hij zette het principe dat aan Kalffs uitbreidingsplan ten grondslag lag voort. Wel gaf hij de straten in dit deel, enigszins los van de bestaande verkaveling een gebogen verloop.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0017.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0018.jpg"

Afbeeldingen 16 en 17: L: Uitbreidingsplan Lambrechtsen van Rithem, 1897, uitsnede R: De acht bouwblokken die volgens plan van Lambrechtsen zijn gebouwd

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0019.jpg"   afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0020.jpg"

Afbeeldingen 18 en 19: L: H.P. Berlage, uitbreidingsplan, 1905, niet vastgesteld, uitsnede R: De bouwblokken die volgens het eerste plan van Berlage zijn uitgevoerd

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0021.jpg"

Afbeelding 20: H.P. Berlage, uitbreidingsplan, 1917 vastgesteld, uitsnede

Waar de polderverkaveling in het westen stuitte op deze gebogen structuur ontstonden twee driehoekige plantsoentjes. De bestaande radialen werden doorgetrokken, maar om ze aan te laten sluiten op de haakse verbindingen van zijn eigen plan schuinde Lambrechtsen de blokken aan de Ceintuurbaan op de kop af. Hoewel Lambrechtsens plan niet werd vastgesteld, werd het in afwachting van het uitbreidingsplan van Berlage uit 1905 wel als onderlegger gebruikt. Net als het gebied ten zuiden van de De Lairessestraat, zou het zuidelijk van de Lutmastraat gelegen gedeelte volgens het daaropvolgend plan van Berlage uit 1917 bebouwd worden. Slechts een klein gedeelte, namelijk de blokken aan de zuidzijde van de Rustenburgerstraat, is nog gebaseerd op Berlages eerste plan uit 1905. Deze blokken ontlenen hun afwijkende diepte en vaak hoekige vorm aan de zuidzijde aan het verloop van een kanaal dat Berlage had geprojecteerd en dat rond een Volkspaleis en Groentemarkt had moeten lopen. Zowel het kanaal als de beide voorzieningen werden niet gerealiseerd. Het beloop van de Pieter Aertszstraat en het Henrick de Keyserplein zijn ontleend aan dit idee.

Het rooilijnverloop met afgeschuinde blokken en de aanwezigheid van pleinen herinnert aan de uitbreidingsplannen van Lambrechtsen van Ritthem uit 1900 en van Berlage uit 1905. Afgezien van de bebouwing aan de pleinen, is dit gedeelte van de Pijp in architectonische en stedenbouwkundig opzicht het minst bijzondere gedeelte. De beplanting is vooral decoratief en heeft geen ruimtelijke werking.

De bebouwing tussen de Lutmastraat en de Jacob Israëlskade vormt een integraal onderdeel van Plan Zuid uit 1915 (vastgesteld in 1917) en is gebaseerd op dezelfde stedenbouwkundige principes: grote verkeersassen begrensd door hoge bebouwing zorgen voor de onderlinge verbinding van de wijken; daarbinnen worden buurten die uit iets lagere bebouwing bestaan, aangelegd. De twee buitenste delen zijn volgens Berlages ontwerpen uitgevoerd, de twee middelste kregen een ander bestemming dan hij had bedacht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0022.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0023.jpg"

Afbeeldingen 21 en 22: L: Stedenbouwkundigplan Van Goghbuurt R: Dienst Publieke Werken, P.L. Takbuurt

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0024.jpg"

Afbeelding 23: Dienst Publieke Werken, Diamantbuurt, 1928

Voor het volkspaleis dat Berlage had gedacht in het segment tussen de Ferdinand Bolstraat en de Van der Helststraat kwam de oude RAI, een schoolgebouw en een noodgebouw van de Sociale Verzekeringsgebouw. Deze moesten op hun beurt weer wijken voor het Okurahotel, een bejaardentehuis, woningbouw, een sporthal, een kinderboerderij en een benzinepomp. Ook het geplande ziekenhuis als monumentale afsluiting van de Waalstraat kwam er niet. In plaats daarvan liet de Gemeentelijk Woningdienst zelf volgens Berlages stedenbouwkundige principes een woonwijkje ontwerpen.

Voor het karakter van de Nieuwe Pijp is de orthogonale structuur belangrijk, waarbij de verschillende breedtes van de straten voortkomen uit een geplande hiërarchie in de uitleg van de wijk. Zowel in de Diamantbuurt, de P.L. Takbuurt en de Van Goghbuurt is uit stedenbouwkundig oogpunt een zorgvuldige afstemming gemaakt tussen de hoogtes van de blokken en de breedtes van de straten. De vormgeving van de bouwblokken draagt bij aan de vormgeving van de openbare ruimte. De buurten behoren in stedenbouwkundige opzicht tot een mijlpaal in de Nederlandse architectuurgeschiedenis en worden ook internationaal zeer gewaardeerd. De breedte en locatie van de pleinen zijn vooral in de P.L. Takbuurt en de Diamantbuurt onderdeel van het stedenbouwkundig ontwerp. In het deel rond de Van Hillegaertstraat is met name het zuidelijk deel, aan de Van Goghstraat, van bijzondere waarde. De beplanting maakt een integraal onderdeel uit van de stedenbouwkundige opzet.

2.1.3 Na de oorlog

De Pijp heeft na de Tweede Wereldoorlog goeddeels haar oorspronkelijke structuur behouden. Een plan van de Fins-Amerikaanse architect Jokinen tot algehele herstructurering van de Pijp haalde het niet door groot verzet van verontruste bewoners. Daardoor ook was de stadsvernieuwing niet zo ingrijpend als in Oud West en Amsterdam Oost. Een van de eerste stadsvernieuwingsprojecten is de doorbraak door de Eerste Jan van der Heijden, Eerste Jan Steenstraat en Govert Flinckstraat zodat een nieuwe verbinding tussen de Ceintuurbaan, in het verlengde van de Dusartstraat, en de Albert Cuypstraat tot stand kwam. Deze kreeg haar vervolg in de Frans Halsstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0025.png"

Afbeelding 24: Luchtfoto van de Hercules Segherstraat

Zo ontstond in de Melkfabriekbuurt (genoemd naar de voormalige Melkfabriek Holland) met de aanleg van de Hercules Seghersstraat een extra, secundaire verkeersverbinding in het westelijk deel van de Pijp. De nieuwe woningbouw die hier op de koppen van gesloten bouwblokken werd gerealiseerd, betekende echter niet een drastische wijziging van de aanwezige stadsstructuur. Verder kwam de stadsvernieuwing en later de stedelijke vernieuwing in de Pijp vooral neer op vervanging van delen van straatwanden door nieuwbouw; zelden werd een heel bouwblok vervangen. De bebouwing van het oude RAI-terrein aan de Ferdinand Bolstraat uit de jaren tachtig en die van het Marie Heinekenplein vormen enclaves die gemakkelijk konden worden ingevoegd in de bestaande structuur. Minder vanzelfsprekend is dat gebeurd bij de aanleg van het Dora Tamanaplein op het terrein van de afgebrande Van Leerfabriek, dat door woningbouw en uitbreidingen van het Gemeentearchief wordt omsloten.

2.1.4 Architectuur

In de opeenvolgende buurten is van noord naar zuid de geschiedenis van de woningbouwarchitectuur goed af te lezen. In de Frans Halsbuurt zijn de woonhuizen nog veelal als afzonderlijke panden ontworpen, vaak ook met eigen, dwars op de straat geplaatste kap. Langs de Stadhouderskade, de Amsteldijk en de Ruysdaelkade komen nog enkele herenhuizen en twee meer- verdiepingenhuizen voor. Ook de hoogte van de bebouwing varieert van twee tot vier lagen. In de rest van de Noordelijke Pijp bestaat de bebouwing overwegend uit drie tot vier lagen en strekken de afgeplatte kappen zich over grotere ensembles uit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0026.jpg"

Afbeelding 25: Polderhuis in de Rustenburgerstraat

De architectuur is tot 1900 nog vooral geënt op die van de grachtengordel. Meestal zijn de panden drie vensterassen breed en bevindt de ingang zich in de linker- of rechter vensteras. In deze beuk bevinden zich ook de trap en de dienstruimtes. Verblijfsruimtes liggen in de brede beuk. De panden zijn weliswaar als afzonderlijke eenheden te herkennen, maar de vormgeving is seriematig, waardoor een sterke ritmering ontstaat door de opeenvolgende vensterpartijen, portieken, dakkapellen en hijsbalken. Wanneer panden deel uitmaken van een serie, dan wordt gesproken van een architectuureenheid. In sommige gevallen zijn de serie panden samengevat in een symmetrisch ontwerp. In dat geval is dat op de ordekaart aangegeven.

In de Pijp staan de vroegste voorbeelden van filantropische woningbouw aan de 1ste Jacob van Campenstraat 1-21 en de 2de Jan van der Heijdenstraat 42-56a, beide ontworpen door W. en P.J. Hamer in respectievelijk 1875 en 1889. Het eerste blok bestaat nog uit rug-aan-rug woningen. Vanuit oogpunt van volkshuisvesting betekende dit soort woningen voor de arbeidersbevolking een stap vooruit. Rond 1900 namen de woningbouwverenigingen het doel om goede, betaalbare woningen voor de lagere klassen te bouwen over. Door de woningwet van 1901 waren deze woningen aan minimumeisen wat hygiëne en de toegang van lucht en licht gebonden. De bouwverordening van 1905 maakt van daglicht voorziene wc's noodzakelijk, reden waarom in die woningbouw een klein raampje naast dat van het trappenhuis verschijnt. De in opdracht van de woningbouwvereningen Eigen Haard, het Oosten en De Dageraad hadden bovendien als geheel goed uitgedachte plattegronden.

Afhankelijk van de locatie is de ornamentiek van de 19de eeuwse architectuur rijker: de vormgeving van de woonhuizen rond het Sarphatipark en langs de Amsteldijk bijvoorbeeld is kwalitatief beter dan die van woningen de Eerste Jan Steenstraat. De architectuur van de Strook 1900 is veel soberder, waarin het gebruik van verschillende kleuren baksteen opvalt. In de woningbouwblokken in de Nieuwe Pijp benadrukt de vormgeving het bouwblok als stedenbouwkundige eenheid. Kleinschalige woonhuizen zijn met name te vinden in Voorheen Meerhuizen waaronder het polderhuis op Rustenburgerstraat 8 misschien wel de bekendste is en ook de arbeiderswoningen van A.L. van Gendt in de Lutma-, Diamant en Robijnstraat. Deze laatste had de Bierbrouwerij Heineken voor zijn werknemers laten bouwen. De architectuur van de jaren '20 van de 20ste eeuw laat een speels, sculpturale vormgeving zien met een onorthodox gebruik van metselwerk en dakpannen en dat tot het beste behoort van de Amsterdamse School.

De architectuur van stadsvernieuwing van de jaren zeventig en tachtig en de stedelijke vernieuwing (niet meer uitsluitend gericht op volkshuisvesting) in de jaren daarna biedt een rijke schakering aan interpretatie van de historische structuur- en architectuur van de wijk. Aanvankelijk wordt vooral de schaal van de buurt als uitgangspunt genomen, in die architectuur domineren de verspringingen en de balkons zoals in de Hercules Seghersstraat. Daarna wordt de vormgeving rustiger, maar geïnspireerd door het modernisme uit de jaren twintig, verschijnen Modernistische gevels, opgetrokken in baksteen in de kleur van de historische architectuur, met brede, soms over bijna de hele gevel lopende, balkons met glazen balustrades die schuin uit de gevel draaien en met terug springende bovenverdiepingen. In de pui wordt door de open vormgeving het contact met de straat gezocht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0027.png"

Afbeelding 26: Architectenbureau Duinker van der Torre, Quellijnstraat Peter Geusebroek (project archiitect: Stefanova), Eerste Jan van der Heijdenstraat, 113-117, 1993 2010

Met name architectenbureau Duinker en Van der Torre en Peter Geusenbroek hebben toen veel in de Pijp gebouwd. In het werk van het bureau van de laatste is een ontwikkeling zichtbaar, naar een vormentaal waarbij de negentiende-eeuwse architectuur als uitgangspunt wordt genomen en het stramien van vensterassen, zichtbare horizontale deling, dak en goothoogte met dakkapellen daartussen volgt.

Verspreid door de wijk staan verschillende openbare gebouwen als de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten (nu: De Ateliers, ontwerp: B. de Greef, 1875), kantoorgebouwen als dat van de Geïllustreerde Pers van Mart Stam (1957-1959) en industriële gebouwen, die gebouwd zijn als drukkerij, bierbrouwerij en wagenfabriek en wijzen op het sterk gemengde karakter van de wijk. Voorbeelden daarvan zijn de voormalige drukkerij van Elsevier (nu: Van Ostadetheater) en de Heineken Bierbrouwerij (Nu: Heineken Experience).

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0028.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0029.jpg"

Afbeeldingen 27 en 28: L:Van Ostadestraat 233: voormalige drukkerij (nu: Van Ostadestheater) R: Joop van Stigt, Van Ostadestraat 270, Afrika-huis 

Het meeste monumentale fabrieksgebouw is de Diamantfabriek Asscher, dat het voormalige buurtschap Meerhuizen domineert. De kerken zijn gebouwd voor de verschillende geloofsgezindten. Met name de kerken van rond 1900 – de Oranjekerk en de Vredekerk – zijn door de torens herkenningspunten in de Pijp. In zijn ontwerp voor de Sint Willibrordus in de Van Ostadestraat zocht Joop van Stigt naar een goede inpassing in de stadstructuur. Deze kerk valt vooral op door zijn gesloten gevel. Het vroegere gemeentehuis van Nieuwer Amstel onderscheidt zich van de overige bebouwing langs de Amstel door zijn alzijdig ontwerp, de toren en de monumentale ingang.

2.1.5 Openbare ruimte, Water en Groen

Pleinen

De pleinen in de Noordelijke Pijp zijn bijna allemaal bij toeval ontstaan. De driehoekige pleintjes aan de Gerard Doustraat werden gevormd door de botsing van twee stadsstructuren, ook kwamen pleinachtige ruimtes tot stand op kruisingen van straten zoals die van de Albert Cuyp en de Ferdinand Bolstraat of door afbraak van een negentiende-eeuws gebouw. Zo ontstond het plein aan de Servaesstraat door de sloop van de Willibrorduskerk. De enige ruimte in de Noordelijke Pijp waarbij eigenlijk gesproken kan worden van een plein is het Marie Heinekenplein uit 1997.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0030.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0031.jpg"

Afbeeldingen 29 en 30: L: Gerard Douplein rond 1900 R: Van der Helstplein rond 1920

Ten zuiden van de Ceintuurbaan zijn daarentegen meerdere pleinen ontworpen. Deze spelen in de stedenbouwkundige opvatting van Berlage een belangrijke rol. De vroegste is het Van der Helstplein, een relict uit het eerste Plan Zuid van Berlage, de overige bevinden zich verspreid over de zuidelijke Pijp. Zij markeren een scharnierpunt tussen oud en nieuw (Cornelis Troostplein, Henrick de Keyserplein) of zij vormen het centrum van een woningbouwproject (Kruispunt Van Goghstraat, Pienemanstraat, Thérèse Schwarzeplein, Henriëtte Ronnerplein, Coöperatiehof, Smaragdplein).

Groen

De groenstructuur in de Noordelijke Pijp omvat slechts één park, het Sarphatipark en de kades langs de Singelgracht, Amstel, Amstelkanaal en Boerenwetering. De kades zijn slechts aan één zijde met bomen beplant; het profiel van de Stadhouderskade en de Amsteldijk omvatte zelfs twee of soms drie rijen. De beplanting van de meeste straten, nu eens aan een zijde, soms ook aan weerszijden, dateren uit de tijd dat parkeerhavens en drempels werden aangelegd. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het plantsoentje aan de Ruysdaelkade, tussen de Eerste Jan Steenstraat en de Jan van der Heijdenstraat, aangezien hier de Boerenwetering een knik maakt. Zelfs de bomen die zo karakteristiek zijn voor de Frans Halsstraat zijn pas ver na de oorlog geplant.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0032.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0033.jpg"

Afbeeldingen 31 en 32: L: Stadhouderskade in 1893 R: Amsteldijk in 1925 

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0034.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0035.jpg"

Afbeeldingen 33 en 34: L: Frans Halsstraat rond 1950 R: Frans Halsstraat nu

Ook in het voormalige buurtschap Meerhuizen was er oorspronkelijk geen groen aanwezig, met uitzondering van de dubbele rij bomen langs de Amstel en bomen in de Tolstraat. Bij de bebouwing van de zuidelijke Pijp was de aanleg van groen duidelijk wel een belangrijk aandachtspunt. Dat is goed te zien in de Van Woustraat waar de grens tussen de negentiende- en vroeg twintigste-eeuwse buurt niet alleen duidelijk wordt in de verbreding van de straat maar ook in de beplanting met bomen in het jongst aangelegde gedeelte.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0036.jpg"

Afbeelding 35: Overgang van het niet beplante naar het beplante deel van de Van Woustraat op de grens van twee uitbreidingen 

Afgezien van het feit dat alleen het Henriëtte Ronner- en Thérèse Schwartzeplein, echte groene pleinen zijn geworden, zijn de belangrijkste straten in de vier verschillende buurten in de Zuidelijke Pijp met bomen beplant.

Essentieel voor zowel de negentiende-eeuwse stadsstructuur als de Zuidelijke Pijp van Berlage is dat deze bestaan uit gesloten bouwblokken met binnentuinen. Hoewel vooral eind negentiende de diepte van deze binnentuinen beperkt werd gehouden, vormen de hier aanwezige tuinen - of per woning afgebakend of ontworpen als een gemeenschappelijke tuin - van deze stedenbouwkundige opzet een onlosmakelijk onderdeel. Deze binnentuinen zijn goed te vergelijken met de binnentuinen in de zeventiende-eeuwse grachtengordel. Door veelvuldige bebouwing van deze binnenterreinen dreigt deze groenvoorziening verloren te gaan.

2.2 Ruimtelijke structuur

2.2.1 Bebouwingsstructuur

De Pijp kenmerkt zich door een hoge bebouwingsdichtheid. De in de vorige paragraaf omschreven ontstaansgeschiedenis heeft ertoe geleid dat er veel woningen op een klein oppervlak zijn gerealiseerd. Met gemiddeld 14.000 woningen per vierkante kilometer behoort de Pijp tot de dichtstgebouwde woonomgevingen van Amsterdam. Om toch iedere bewoner van de volkswijk te kunnen voorzien van voldoende buitenruimte, is centraal een park gerealiseerd en vormden de binnentuinen een belangrijk rustoord binnen de bouwblokken. Nagenoeg alle woningen in de Pijp zijn gebouwd in een gesloten bouwblok.

Ten zuiden van de Ceintuurbaan worden de gesloten bouwblokken vaker onderbroken door incidentele laagbouw en los van de bouwblokkenstructuur gerealiseerde bebouwing dan ten noorden van de Ceintuurbaan. Daar waar in het noordelijke deel van de Pijp alleen het Marie Heinekenplein afwijkt van de aanwezige bebouwingsstructuur, gebeurt dat in het zuidelijke deel alom. Goede voorbeelden zijn het Gemeentearchiefterrein, het Okura hotel en het gebied rondom de Vredeskerk.

Het gebied is onder te verdelen in de Oude Pijp, Nieuw Pijp en Diamantbuurt. De grenzen die door de afdeling Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam worden aangehouden zijn als volgt:

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0037.png"

Afbeelding 36: grenzen buurten in de Pijp

Binnen de genoemde buurten wordt nog onderscheid gemaakt naar:

Oude Pijp: Hemonybuurt (1), Frans Halsbuurt (2), Gerard Doubuurt (3), Hercules Seghersbuurt (4) en Sarphatiparkbuurt (5).

Nieuwe Pijp: Willibrordusbuurt (6), Van der Helstpleinbuurt (7), Lizzy Ansinghbuurt (8) en Cornelis Troostbuurt (9).

Diamantbuurt: Diamantbuurt (10), Burgemeester Tellegenbuurt-oost (11) en Burgemeester Tellegenbuurt-west (12).

2.2.2 Openbare ruimte

Water

Doordat de bestemmingsplangrenzen zijn gelegen op de scheiding van het land met het water dat de Pijp omgeeft, is in het plangebied nauwelijks water aanwezig. Het enige oppervlaktewater dat in het plangebied van betekenis is, betreft het water in het Sarphatipark. Dit water heeft uitsluitend een estethische en recreatieve functie.

Groen

De Pijp is een dichtgebouwd gebied, waar weinig groene structuren aanwezig zijn. De belangrijkste groene structuren betreffen de groene kades langs de Stadhouderskade, Amsteldijk, Jozef Israëlskade en de Ruysdaelkade. Het belangrijkste groen van de wijk is het Sarphatipark. Vanwege de weinige groenvoorzieningen in de Pijp en de omringende buurten, wordt het Sarphatipark druk bezocht en voorziet het in de rust en ruimte die bewoners van de drukke wijk in de directe omgeving van de woning nauwelijks te vinden is.

Binnen de bouwblokken zijn eveneens open ruimtes aanwezig. In een aantal bouwblokken, - met name in de Nieuwe Pijp en Diamantbuurt - zijn deze open ruimtes ook van buitenaf toegankelijk. Deze binnentuinen zijn doorgaans goed onderhouden. In de binnentuinen die niet openbaar toegankelijk zijn en zich kenmerken door versnipperd bezit (en de daarmee samenhangende verschillende wijzen waarop de tuin wordt gebruikt en/of bebouwd), is de verblijfskwaliteit aanmerkelijk minder. Met het voorgaande bestemmingsplan De Pijp 2005 is een halt toegeroepen aan nieuwe bebouwing in de binnentuinen. De situatie zoals deze in 2003 in kaart is gebracht en later in het bestemmingsplan is opgenomen, is als gevolg van dit bestemmingsplan op grote lijnen in stand gehouden. Met dit bestemmingsplan wordt beoogd deze situatie verder te behouden en waar mogelijk te verbeteren.

2.2.3 Functionele structuur

Hoewel de Pijp nog hoofdzakelijk een wijk betreft waar gewoond wordt, is in de Noord-Pijp een sterke mate van functiemenging aanwezig. Door de uitrol van het centrummilieu, begint de Noord-Pijp qua functionele structuur steeds meer gelijkenissen te vertonen met het centrum van Amsterdam. De functies die voorheen in de Noord-Pijp zaten, verplaatsen zich ook steeds meer naar het zuiden, waardoor de Zuid-Pijp en de Diamantbuurt ook steeds meer te maken krijgen met functies in de eerste bouwlaag. Uit de functiekaart van Amsterdam (zie afbeelding 36) valt op te maken dat langs de Ferdinand Bolstraat, Van Woustraat en de Ceintuurbaan de functiemenging zich met name manifesteert in detailhandel en horeca. Sporadisch zijn dienstverlenende instanties terug te vinden, zoals kapsalons, wasserettes of reisbureaus. In de zijstraten van deze 'winkelstraten' is een grotere mate van functiemenging aanwezig, waarbij ook meer ruimtes worden gebruikt voor (ambachtelijke) bedrijvigheid, kantoortjes en maatschappelijke dienstverlening.

Ondanks alle bedrijvigheid, is de Pijp nog steeds hoofdzakelijk een buurt waar gewoond wordt. In de gebieden waar veel bedrijvigheid in de plint aanwezig is, vindt het wonen voornamelijk plaats op de hoger gelegen bouwlagen. In deze drukkere gebieden staat het woon- en leefklimaat onder druk en is het belang van een rustige binnentuin des te groter. In afbeelding 36 is duidelijk te zien waar de niet-woonfuncties zich concentreren. In deze gebieden is het noodzakelijk om terughoudend om te gaan met een toevoeging van functies die het woon- en leefklimaat nog verder onder druk kunnen zetten. In hoofdstuk 3 wordt aangegeven hoe dit bestemmingsplan daaraan zal bijdragen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0038.jpg"

Afbeelding 36: Functiekaart Amsterdam (2016)

2.2.4 Bereikbaarheid

Verkeer en parkeren

In het plangebied bevinden zich enkele belangrijke doorgaande autoverkeersverbindingen. Deze betreffen de Stadhouderskade, de Amsteldijk, de Ceintuurbaan en de Van Woustraat. Voor de laatste geldt dat er een pilot is gestart om de maximum snelheid terug te brengen naar 30 km/u. Vooralsnog zal in dit bestemmingsplan, in relatie tot geluidhinder, uitgegaan worden van een maximum snelheid van 50 km/u voor de planperiode.

Overige wegen die een maximum snelheid hebben van 50 km/u betreffen het zuidelijk deel van de Ferdinand Bolstraat (tussen Ceintuurbaan en Jozef Israëlskade) en de Van Hilligaertstraat. Deze hebben een minder groot belang in het ontsluiten van de wijk als de Stadhouderskade, Ceintuurbaan en Van Woustraat en worden dan ook niet aangemerkt als doorgaande straten.

Het overige verkeersareaal in de Pijp wordt gekenmerkt door woonstraten. In de woonstraten wordt de indeling van de openbare ruimte met name bepaald door de aanwezigheid van geparkeerde auto's. In de Frans Halsbuurt wordt na de bouw van de Boerenweteringgarage de openbare ruimte heringericht, waarbij een aanzienlijk aantal parkeerplaatsen opgeheven zal worden. De ruimte die vrijkomt, komt ten goede aan bredere trottoirs, groen en langzaam verkeer. Naast de Boerenweteringgarage zijn nauwelijks openbaar toegankelijke parkeergarages in het plangebied aanwezig. Onder het terrein bij de St. Willibrordusstraat wordt een nieuwe ondergrondse parkeergarage gerealiseerd. Zie hiervoor Hoofdstuk 3: planvisie en planbeschrijving.

Openbaar Vervoer

Door het plangebied heen lopen een aantal tram- en buslijnen van het Gemeentelijk Vervoersbedrijf:

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0039.jpg"

Afbeelding 36: Routes van de trams (lijnen 3, 4, 12, 16 en 24) en spitsbus (nr. 246) door de Pijp

Onder de Ferdinand Bolstraat ligt het metrostation De Pijp. Station De Pijp ligt onder de Ferdinand Bolstraat tussen de Albert Cuypstraat en de Ceintuurbaan. Er liggen twee perrons boven elkaar. Er komen twee toegangen: één op de hoek van Albert Cuypstraat en één op de hoek van de Ceintuurbaan. Beide toegangen worden gemaakt in nieuwe hoekpanden. Dagelijks zullen circa 42.500 passagiers gebruikmaken van dit station. Als het station klaar is, wordt de Ferdinand Bolstraat opnieuw ingericht. In het najaar van 2017 zal de Noord/Zuidlijn operationeel worden.

Hoofdstuk 3 Planvisie en planbeschrijving

3.1 Inleiding

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de mogelijkheid tot het opstellen van een bestemmingsplan voor gebieden binnen de bebouwde kom. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet gedacht worden aan de mogelijkheid om een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen, wijzigingsbevoegdheden op te nemen en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek.

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. De argumentatie van de wijze van regelen volgt uit de in de verantwoording opgenomen beleidsuitgangspunten.

Planvorm

Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de planregels. De planregels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de planregels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan. Het plan heeft overwegend een beheerkarakter. Ontwikkelingen die tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan bestuurlijk worden vastgesteld, worden evenwel meegenomen in het bestemmingsplan. Verder houdt het plan rekening met recente wetgeving, recent beleid en speelt het in op maatschappelijke en economische ontwikkelingen. In dit hoofdstuk wordt aangegeven welke juridisch planologische instrumenten daarbij worden ingezet.

Algemene uitgangspunten

Ten behoeve van de voorbereiding van dit bestemmingsplan is een startnotitie vastgesteld door het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid vastgesteld en besproken in het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid. Deze startnotitie (Nota van Uitgangspunten bestemmingsplan De Pijp 2018) is als bijlage bij deze toelichting bijgesloten. In deze startnotitie zijn de uitgangspunten terug te vinden die gehanteerd zijn bij de voorbereiding van het bestemmingsplan. De algemene uitgangspunten betroffen:

  • Het bestemmingsplan voorziet in het behoud van bestaande rechten.
  • In het bestemmingsplan wordt het meest recente relevante ruimtelijke beleid opgenomen. Beleid dat tijdens de voorbereiding wordt vastgesteld wordt, voor zover mogelijk, opgenomen in het bestemmingsplan en vertaald naar regels.

Voor eerste uitgangspunt geldt dat er aanleiding kan zijn om niet in het behoud van bestaande rechten te voorzien. In de specifieke uitgangspunten zijn hier een aantal voorbeelden van te vinden:

  • Bestaande bouwrechten voor uitbreiding van gebouwen aan de achterzijde over de gehele bouwhoogte van het gebouw die feitelijk onbenut zijn, worden niet meer in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen.
  • De bestaande legale horecavestigingen worden opgenomen in de verbeelding. De lijst Toegestane horeca komt te vervallen (wat het ontnemen van gebruiksrechten impliceert voor adressen waar horeca wel toegestaan is, maar thans niet aanwezig) en de afwijkingsregeling voor het uitbreiden van horeca naar 25% binnen bepaalde straten/pleinen wordt afgeschaft.
  • Bestaande supermarkten krijgen een aanduiding; zonder aanduiding zijn supermarkten niet toegestaan.
  • Daar waar een ambachtelijk bedrijf aanwezig is, wordt een minder flexibele bestemming toegekend aan de betreffende bebouwing. Het is wel altijd mogelijk om nieuwe ambachtelijke bedrijfjes op te starten.
  • Smartshops, shisha-lounges en massagesalons worden toegevoegd aan de lijst van verboden gebruik. Voor massagesalons komt een binnenplanse afwijking die het vestigen van een massagesalon onder voorwaarden mogelijk maakt.

3.2 Ruimtelijke structuur

Het bestemmingsplan biedt een actueel ruimtelijk toetsingskader voor ontwikkelingen in de Pijp voor de komende tien jaar. Deze ontwikkelingen kunnen zich op twee manieren manifesteren: wijzigingen in de ruimtelijke structuur door sloop, nieuwbouw en uitbreidingen en wijzigingen in de wijze waarop de gronden en bebouwing worden gebruikt (functionele structuur). In de komende paragrafen zal uiteengezet worden welke regelingen van het onderhavige bestemmingsplan kunnen leiden tot wijzigingen in de ruimtelijke en functionele structuur van de Pijp.

3.2.1 Bouwhoogte

Maximum bouwhoogte

In het vorige hoofdstuk is aangegeven hoe de bestaande ruimtelijke structuur tot stand is gekomen. De gebouwde omgeving is "af", wat zoveel wil zeggen dat er geen grootschalige ontwikkelingen meer zullen plaatsvinden, die zullen leiden tot een wezenlijk andere ruimtelijke structuur. De enige ontwikkeling die in dat kader een rol speelt, is de herontwikkeling van het Archiefterrein. Deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan in overeenstemming met het bestemmingsplan dat hiervoor is opgesteld en de afwijkingen die van dat bestemmingsplan zijn verleend.

De bebouwde omgeving vormt het uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen. Door Monumenten & Archeologie van de gemeente Amsterdam is onderzocht wat de cultuurhistorische kwaliteiten zijn van deze bestaande bebouwde omgeving en worden aanbevelingen gegeven voor het beschermen van deze kwaliteiten. In de komende paragrafen zal telkens aangegeven worden wat de aanbevelingen zijn van Monumenten & Archeologie en hoe deze in het bestemmingsplan zijn verwerkt. Het advies is integraal als bijlage bij deze toelichting opgenomen (Bijlage 4 Cultuurhistorisch advies).

In het kader van de voorbereiding van dit bestemmingsplan is bekeken wat de bestaande bouwhoogtes zijn en of deze nog overeenkomen met het vorige bestemmingsplan. In het overgrote deel van de gevallen is dit aan de orde. Voor het deel waarvan het vorige bestemmingsplan meer ruimte bood dan werkelijk aanwezig, voornamelijk als de bouwhoogte van het hoofdgebouw ook voor de tuinbebouwing was opgenomen, is een correctie doorgevoerd.

Vanwege de dichtheid waarin is gebouwd in de Pijp, zijn er maar weinig mogelijkheden om de woning of bedrijfsruimte uit te breiden. Bouwen in de binnentuinen wordt gezien als onwenselijk (zie verder paragraaf 3.2.3 Binnentuinen) en er is weinig tot geen ruimte voor uitbreiding in onbebouwd gebied. De mogelijkheden die resteren zijn beperkt tot uitbreiding in hoogte.

In het vorige bestemmingsplan zijn in enkele gevallen hogere bouwhoogtes toegekend dan de feitelijk aanwezige bebouwing, om ruimte te kunnen bieden aan uitbreidingen in verticale zin. Na een stedenbouwkundige analyse over de ruimtelijke structuur van de Pijp kan geconcludeerd worden dat in dit bestemmingsplan opnieuw een dergelijke generieke regeling mogelijk is. Bij deze regeling worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Over het algemeen kan er in het bestemmingsplan volstaan worden met het opnemen van één maximale bouwhoogte per blok of per architectuureenheid die afgeleid wordt uit de meest voorkomende hoogte van de bestaande bebouwing. Bij enkele hogere gebouwen die een uitzondering in het bouwblok vormen kan een afwijkende maximale bouwhoogte worden opgenomen.
  • Bij orde 1 en 2 panden wordt de bestaande bouwhoogte per pand opgenomen zodat opbouwen niet bij recht toegestaan zijn.
  • Voor de licht- en zontoetreding in de binnentuinen is de hoogte van de bebouwing m.n. aan zuidkant maar ook aan de oost- en westkant van belang. Extra dakop- of uitbouwen kunnen een behoorlijke impact hebben op het wooncomfort in de binnentuin. Waar de bestaande bebouwing lagere delen aan de tuinkant heeft, zoals b.v. bij keukenaanbouwen of een terugspringende dakverdieping is het belangrijk de maximale bouwhoogte conform de bestaande situatie vast te leggen.

Bovenstaande uitgangspunten komen nagenoeg overeen met het advies van Monumenten en Archeologie, die de volgende adviezen heeft gegeven over bouwhoogtes in de Pijp:

  • Leg de bestaande bouwhoogte vast van de met een orde 1 (Gemeentelijk en Rijksmonument) en orde 2 gewaardeerde bebouwing en van bebouwing die met een orde 3 is gewaardeerd en staat in met de een Zone A en Zone B gewaardeerde straten.
  • Neem bij de overige bebouwing de meest voorkomende hoogte in de wand van een bouwblok als uitgangspunt voor het bepalen van de nok- en goothoogte. Veel bouwblokken in de Nieuwe Pijp hebben een status van rijks- of gemeentelijk monument. Voor het behoud van de stedenbouwkundige samenhang van Plan Zuid is het aan te bevelen de bestaande bouwhoogten van deze blokken, maar ook die van de overige bouwblokken in de regels vast te leggen.
  • Houd bij het vaststellen van de bouwhoogtes in de regels voor de bebouwing met een orde 1, 2 en 3 waardering verder rekening met de als architectuureenheden aangegeven bebouwing op de ordekaarten.

Het verschil is gelegen in het wel of niet vastleggen van de bouwhoogte van orde 3 panden in een hoog gewaardeerde stedenbouwkundige zone (A en B). Vanuit de stedenbouwkundige analyse blijkt deze noodzaak niet, maar wel uit het behoud van cultuurhistorische waarden van de bebouwing in de Pijp. Het advies van Monumenten & Archeologie wordt op dit punt dan eveneens als uitgangspunt gehanteerd bij de regeling voor de bouwhoogtes in de Pijp.

De uitwerking van bovenstaande regeling is terug te vinden in de verbeelding, alwaar hoogteverschillen in bebouwing van die in de welstandsnota orde 3 (langs zones C en D), basisorde of geen ordewaardering heeft gekregen, niet met een nauwkeurige maximum goot- en bouwhoogte op de verbeelding is ingetekend. De feitelijke situatie komt aldaar niet overeen met de planologische mogelijkheden.

Voor het grootste deel van de Pijp geldt dat het gaat om bebouwing in de ordes 1, 2 en 3 (langs zones A en B). De uitwerking van bovenstaande uitgangspunten levert op de verbeelding niet direct een ander beeld op dan in het voorgaande bestemmingsplan. Slechts in een beperkt aantal gevallen kunnen de bouwhoogtes gelijk getrokken worden aan de meest voorkomende bouwhoogte.

Dakuitbreidingen

Volgens het cultuurhistorisch advies en de stedenbouwkundige analyse van de Pijp, zijn er in het plangebied veel kappen aanwezig, die het beschermen waard zijn. Het zogeheten "daklandschap", dat zich kenmerkt door verschillen in kapvorm, -richting en hellingspercentage, dient behouden te blijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0040.jpg"

Afbeelding 37: verschillende dakafwerkingen in een bouwblok

De afgelopen planperiode zijn veel schuine kappen rechtgetrokken tot de maximale bouwhoogte. In het voorgaande bestemmingsplan was een maximum goothoogte opgenomen, om te voorkomen dat de schuine delen van een kap rechtgetrokken zouden worden en op die manier de kapvorm van schuin naar plat te laten gaan. Deze regeling heeft zijn doel niet getroffen, doordat het rechttrekken van de kap plaatsvond zonder de goothoogte daarbij te overschrijden.

In dit bestemmingsplan wordt een effectievere regeling toegepast ter bescherming van het daklandschap. Alle kappen van gebouwen in orde 1, 2 en 3 langs stedenbouwkundige zones a en b worden middels een dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie (1 of 2) "bevroren". Het wijzigen van de kapvorm door dakkapellen, dakopbouwen, dakuitbouwen en daklagen kan dan alleen nog onder voorwaarden. Er komt een vergunningplicht voor dergelijke dakuitbreidingen, zodat er getoetst kan worden of het nieuwe bouwwerk het daklandschap schade zal toebrengen of niet.

Voor de licht- en zontoetreding in de binnentuinen is de hoogte van de bebouwing m.n. aan zuidkant maar ook aan de oost- en westkant van belang. Extra dakop- of uitbouwen kunnen een behoorlijke impact hebben op het wooncomfort in de binnentuin. Waar de bestaande bebouwing lagere delen aan de tuinkant heeft, zoals b.v. bij keukenaanbouwen of een terugspringende dakverdieping is het daarom belangrijk de maximale bouwhoogte conform de bestaande situatie vast te legen.

Openingen in bouwblokken

Op de scheiding tussen kopbebouwing en langsbebouwing bevinden zich in sommige bouwblokken openingen, op de begane grond meestal afgesloten door een muur. Zo werd voorkomen dat donkere hoeken in de binnenhoven ontstonden. Er lijkt geen stedenbouwkundig principe ten grondslag te liggen aan de openingen in de straatwand, maar dat wil niet zeggen dat er geen belang is om de openingen te behouden. Zo zijn in veel gevallen de openingen aan beide zijden voorzien van bebouwing waarin ramen zijn aangebracht en verblijfsruimtes zijn gesitueerd. Dichtbouwen van de opening zou dan kunnen leiden tot een verminderde lichtinval en daarmee de kwaliteit van het bewonen van de bestaande bebouwing in sterke mate verslechteren.

Een ander aspect is de architectuur van de bestaande bebouwing. Deze kan door het dichtbouwen van de opening in de straatwand verstoord worden. Dit is een aspect dat bij voorkeur beoordeeld wordt, zonder dat er in het bestemmingsplan bouwrecht is geboden.

Gezien het bovenstaande zullen de openingen in de bouwblokken niet bij voorbaat van bouwrecht worden voorzien. De bouwhoogte van de bestaande bebouwing, voor zover aanwezig, zal vastgelegd worden op de verbeelding. Indien de bestemming Tuinen toegekend is aan de betreffende gronden, zal dit anders geregeld worden. Zie hiervoor paragraaf 3.2.3 Binnentuinen.

3.2.2 Rooilijnen

Voorgevelrooilijn

Rooilijnen van de bebouwing, zowel langs de straten en pleinen als langs de achtergevels, bepalen de verkaveling in gesloten bouwblokken. Hierdoor is een sterke scheiding tussen openbare en private ruimte ontstaan. De voorgevelrooilijn is belangrijk voor de vorming van de straatruimte en de samenhang van de bebouwing. In De Pijp hebben de bouwblokken uit de 19de eeuw en de jaren 1920/1940 over het algemeen één doorgaande voorgevelrooilijn. Bij sommige, meestal nieuwe panden is in de plint echter een terugspringend deel b.v. bij de hoofdingang opgenomen. Op de verdieping wordt dan meestal wel de rooilijn van de aangrenzende bebouwing opgenomen. De verspringing is over het algemeen niet van dusdanig belang dat deze in het bestemmingsplan moet worden opgenomen, wel is dat het geval voor de algemene rooilijn.

Het conserveren van de bestaande rooilijnen houdt niet alleen de voor de verschillende buurten van de Pijp kenmerkende structuur intact. Hierin is ook het vroegere verloop en de breedte van de sloten en de daartussen liggende percelen te volgen.

Achtergevelrooilijn

In veel bouwblokken in De Pijp zijn grote delen van de binnentuinen voorzien van bebouwing. Vaak gaat het om bedrijfsbebouwing die in het verleden is opgericht, om ruimte te creëren voor de bedrijvigheid die in het hoofdgebouw niet verder kon groeien. In het voorgaande bestemmingsplan is aan de verdere verdichting van de binnentuinen een halt toegeroepen. Alle bebouwing die destijds in de tuinen aanwezig was, is in kaart gebracht en in de plankaart opgenomen. Nieuwe bebouwing, met uitzondering van een berging van maximaal 9 m2, werd uitgesloten. Er is hiervoor een bestemming Tuinen in het leven geroepen, die een scherpe scheiding aanbracht tussen de hoofdgebouwen en de tuinbebouwing, behorende bij die hoofdgebouwen. De achtergevelrooilijnen werden daarmee op de plankaart ingetekend als bestemmingsgrens.

In een aantal gevallen is de achtergevelrooilijn echter niet dezelfde lijn als de bestemmingsgrens. De feitelijke situatie is anders dan de planologische situatie, wat leidt tot het recht om de achtergevelrooilijn verder de tuin in te verplaatsen. Dit bouwrecht, dat volgens het limitatief-imperatieve stelsel van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht via een omgevingsvergunning tot realisatie gebracht kan worden, leidt tot onwenselijke situaties. Zo kunnen in enkele bouwblokken de hoofdgebouwen over de volledige hoogte worden uitgebreid de tuin in, tot soms 8 meter (extra) diepte. Naast dat dit de ruimtelijke beleving van de binnentuin als open gebied schaadt, zorgen dergelijke uitbreidingen voor een beperking in daglichttoetreding, de belending wordt in de schaduw gezet en in hoeken van bouwblokken kan dit tevens leiden tot privacyschending en/of volledige ontname van uitzicht. Om te voorkomen dat deze bouwrechten tot uitvoer worden gebracht, is in dit bestemmingsplan de feitelijke achtergevelrooilijn ingetekend als bestemmingsgrens van de hoofdbebouwing (en de bestemming van de tuinen). Hiermee wordt het bestaande, nog onbenutte bouwrecht ontnomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0041.jpg"

Afbeelding 38: uitsnede van plankaart voorgaand bestemmingsplan, met daarin verschillen tussen bestemmingsgrens voorgaande bestemmingsplan (rood) en de bestemmingsgrens in dit bestemmingsplan (groen).

3.2.3 Binnentuinen

Zoals eerder in deze toelichting aangegeven, zijn de binnentuinen van de Pijp van groot belang voor een prettig woon- en leefklimaat van de bewoners. In het verleden zijn door de bedrijven in de Pijp gebouwen in de binnentuinen van bouwblokken geplaatst ter vergroting van het bedrijfsvloeroppervlak. In de Noord-Pijp zijn een aantal bouwblokken nagenoeg volgebouwd.

Aangenomen mag worden dat de druk op de binnenterreinen hoog zal blijven. In het geval dat ondernemingen een uitbreidingswens hebben, dan wordt deze in eerste instantie gezocht in het bebouwen van het achtererf behorende bij de onderneming. Pas later wordt gekeken naar een mogelijke samenvoeging met een naastgelegen pand of het onderkelderen van het bestaande pand. In het geval dat een onderneming verdwijnt en het pand kan geen nieuwe onderneming aantrekken, dan is de kans groot dat er een woning in komt. In dat geval blijft de druk op de binnentuin nog steeds aanwezig, omdat ook bewoners de wens hebben tot uitbreiding van woonoppervlak.

Voor de ondernemers en bewoners die in de begane grond zitten, betekent het bebouwen van de tuinen een vergroting van het bedrijfsvloeroppervlak resp. woonoppervlak. Dit heeft voor deze partijen een positief gevolg. Ondernemers kunnen op deze manier een hogere omzet behalen en zodoende (meer) rendabel hun onderneming exploiteren. Bewoners hebben baat bij een groter woonoppervlak, aangezien het gemiddelde woonoppervlak in de Pijp relatief laag is. Hiermee wordt de verhuisgeneigdheid lager en ontstaat de mogelijkheid om langer in de woning te blijven, ook als de huishoudensamenstelling wijzigt.

De nadelen van het bebouwen van de binnentuinen zijn voornamelijk waar te nemen op de hoger gelegen bouwlagen. De bewoners die op de eerste verdieping of hoger wonen, hebben geen buitenruimte aan de woning anders dan hun balkon (voor zover aanwezig). De rust en ruimte die voor hen van evengroot belang is als voor iedere andere bewoner van de Pijp, kunnen zij hoofdzakelijk vinden aan de achterzijde van hun woning. Op het moment dat de tuinen bebouwd worden, gaat dit ten koste van de ruimtelijke beleving van de binnentuin voor deze bewoners; zij hebben immers niet de baten die de ondernemer/bewoner op de begane grond wel hebben van de tuinbebouwing. In een wijk als de Pijp, waar aan de voorzijde van de (woon)bebouwing de drukte van de stad duidelijk aanwezig is en de mogelijkheden tot recreëren in een rustige omgeving zich op enige afstand van de woning bevinden, dient de rust aan achterzijde van de woning als compensatie.

Om de bovenstaande uiteenlopende - en min of meer tegenstrijdige - belangen in het bestemmingsplan een plek te kunnen geven, worden de volgende regelingen in het bestemmingsplan gehanteerd.

Bestemming Tuin

De achtertuinen van de hoofdbebouwing krijgen, in tegenstelling tot de andere bestemmingsplannen binnen het stadsdeel, een eigen bestemming. In deze bestemming Tuin worden regelingen en afwijkingsmogelijkheden opgenomen die anders in iedere hoofdbestemming van de hoofdbebouwing terug zouden moeten komen. Dit komt de leesbaarheid, maar ook de toetsing aan het bestemmingsplan ten goede. De verbeelding biedt ook direct een duidelijk beeld waar de achtergevelrooilijn is, zodat het onderscheid tussen hoofdbebouwing en bijbehorende bouwwerken (uit-, aan- en bijgebouwen) niet bij aanvragen omgevingsvergunning uitgezocht hoeft te worden.

Normaliter wordt in de verbeelding de bestaande bebouwing ingetekend, met een bouwvlak waaraan maximale maatvoeringen (vaak maximale goot- en/of bouwhoogte) zijn toegekend. In dit bestemmingsplan is gekozen voor een andere systematiek. In de verbeelding is in de bestemming Tuin geen bebouwing ingetekend, maar is in de regels toegestaan dat hetgeen in de bestemming Tuin feitelijk aanwezig was ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, mag blijven bestaan. Het vertoont hiermee gelijkenissen met het overgangsrecht voor bouwwerken. Er zijn wel twee verschillen met het overgangsrecht te noemen: 1. het overgangsrecht biedt de mogelijkheid om bestaande legale bouwwerken te behouden. De regels van de bestemming Tuin staat alle bouwwerken toe, ook als deze niet met vergunning zijn opgericht en niet vergunningsvrij waren. 2. het overgangsrecht staat het slopen en opnieuw oprichten van bebouwing die niet bestemd zijn niet toe (met uitzondering van het oprichten van het strijdige bouwwerk nadat het door een calamiteit is vernietigd). In de bestemming Tuin wordt het toegestaan om het bouwwerk dat bestond ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan te slopen en opnieuw op te richten. Hiermee is de bebouwing positief bestemd.

In de regels behorende bij de bestemming Tuin is wel een verbod opgenomen om nieuwe bijbehorende bouwwerken op te richten, of de bestaande bijbehorende bouwwerken uit te breiden. Er is een afwijkingsbevoegdheid voor het College van B&W opgenomen om van dit bouwverbod af te wijken. De toepassing van de afwijking kan voor meerdere bouwactiviteiten: het verhogen van de bestaande bebouwing, het verplaatsen van bestaande bebouwing of het anders verdelen van het bestaande volume over de achtertuin. Deze afwijkingsmogelijkheid wordt alleen geboden voor percelen die in het achtererfgebied al reeds voor meer dan 50% zijn bebouwd. Voor percelen met minder dan 50% bebouwing in het achtererf een andere regeling is opgenomen (zie verder bij "Dubbelbestemming Waarde - Landschap"). Op het moment dat een bewoner/ondernemer in de eerste bouwlaag gebruik wil maken deze regeling en er is momenteel meer dan 50% van de tuin bebouwd, dan gelden de volgende voorwaarden:

  • a. het deel van het bebouwd oppervlak dat groter is dan 50% van het oppervlak van het perceel moet met minimaal 50% afnemen;
  • b. het bouwwerk wordt voorzien van een groen dak
  • c. na toepassing van de afwijking kan geen beroep meer worden gedaan op de regel dat de bebouwing die aanwezig was ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan mag blijven bestaan en gesloopt/opnieuw opgericht mag worden.

Ad a. Met de voorwaarde om het totaal oppervlak aan bebouwing in de tuin te verminderen wordt voor het eerst actief ingezet op het verminderen van bebouwing in de binnentuinen. Op het moment dat meer dan de helft van de tuin is bebouwd, is er meer bebouwd dan vergunningsvrij is toegestaan. Aangezien dit percentage nog steeds het uitgangspunt vormt voor het realiseren van bebouwing in dit bestemmingsplan (zie ook "Dubbelbestemming Waarde - Landschap), zal niet ingezet worden op het verminderen van de bebouwing tot minder dan de helft van de tuin. Wel wordt geëist dat dat deel van de bebouwing dat groter is dan de helft van de tuin, wordt gehalveerd. Het is hiermee wel een afname van de bebouwing, maar gerelateerd aan de bebouwing zelf niet bijzonder groot. Bij een perceel dat voor 100% is bebouwd, zal de afname 25% van de bebouwing inhouden. Des minder bebouwing aanwezig is, des te lager dit totale percentage wordt. Een perceel dat voor 60% bebouwd is, zal na toepassing van deze regeling nog steeds voor 55% bebouwd zijn. Het blijft hiermee een aantrekkelijk om gebruik te maken van deze afwijkingsregel, dan als het "afnamepercentage" hoger was geweest. Het woord "minimaal" biedt wel de mogelijkheid om meer bouwrecht op te geven, maar dat is dan wel op eigen initiatief. Niet gebruik maken van de regeling is uiteraard ook altijd een optie. Dit betekent dan wel dat de gewenste verhoging/verplaatsing/herschikking geen doorgang kan vinden.

Ad b. Een groen dak is een dak voorzien van dakbedekking waarop een plantaardige laag is aangebracht, dwz. een laag die hoofdzakelijk bestaat uit levende planten. De technische mogelijkheden voor het realiseren van een groen dak zijn de laatste jaren verbeterd en de kosten vrij laag. Bij het verhogen, verplaatsen of herschikken van bebouwing in de binnentuin is het altijd noodzakelijk om de aanwezige dakbedekking te verwijderen en opnieuw aan te brengen. Het is dan ook mogelijk om rekening te houden met het extra gewicht van de groende dakbedekking (circa 40-80 kilogram per vierkante meter), de afwatering en beplanting aan te brengen. Voor groene daken wordt onder bepaalde voorwaarden subsidies verleend, die kunnen oplopen tot €100.000 of 50% van de totale kosten.

Ad c. Op het moment dat er toepassing wordt gegeven aan deze afwijkingsregel, dan ontstaat er een situatie waarbij er minder bebouwing op het achtererf aanwezig is, dan ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Omdat in de bestemming Tuin is toegestaan om de bebouwing die aanwezig was tijdens de inwerkingstreding van het bestemmingsplan te behouden (en zelfs de slopen en opnieuw op te richten), blijft het mogelijk om deze bebouwing te realiseren. Er zal dan weliswaar een groen dak aanwezig zijn, maar de vermindering van het volume is dan niet gegarandeerd. Om te voorkomen dat het weggehaalde volume weer teruggebouwd wordt, is als voorwaarde aan de toepassing van deze afwijkingsregel verbonden dat niet langer gebouwd mag worden dat aanwezig was ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Er is dan alleen nog maar toegestaan wat het College van B&W met de omgevingsvergunning heeft vergund. Uiteindelijk zal dit in het volgende bestemmingsplan (= omgevingsplan) worden opgenomen. Aangezien de intiatiefnemer zelf instemt met het ontnemen van zijn bouwmogelijkheden (anders zou deze geen gebruik willen maken van de afwijkingsregel), kan eventuele (plan)schade niet op de gemeente worden verhaald.

Dubbelbestemming Waarde - Landschap

Naast de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor bouwen in de achtertuin, is op basis van het Besluit omgevingsrecht, artikel 2 van Bijlage II mogelijk om zonder vergunning een bijbehorend bouwwerk op te richten. Het gaat hierbij om de mogelijkheid om een bijbehorend bouwwerk te maken tot 4 meter afstand van de oorspronkelijke achtergevel. Op een afstand groter dan 4 meter uit de oorspronkelijke achtergevel mogen eveneens bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, mits deze ondergeschikt wordt gebruikt aan de functie in het hoofdgebouw. Voor kleinere tuinen geldt dat deze maximaal 50% bebouwd mogen worden. Bij grotere tuinen (tussen 100 m2 en 300 m2) geldt een maximum van 50 m2 vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2. Bij een tuin groter dan 300 m2 geldt een maximum van 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2.

In de Pijp, waar de meeste tuinen niet groter zijn dan 100 m2, kan derhalve zonder vergunning de helft van de tuin worden volgebouwd. Deze bijbehorende bouwwerken hoeven niet getoetst te worden aan het bestemmingsplan, inclusief de bestemming Tuin waarin een bouwverbod is opgenomen. Het bouwen zonder omgevingsvergunning heeft derhalve vergaande gevolgen voor tuinen waarin thans weinig tot geen bebouwing staat en wordt vanuit de bescherming van een open en rustige binnentuin voor bewoners op de hogere verdiepingen onwenselijk geacht. Met de dubbelbestemming Waarde - Landschap wordt voorkomen dat zondermeer gebruik gemaakt kan worden van de vergunningsvrije bouwmogelijkheden.

Uit jurisprudentie en later de memorie van toelichting van het Besluit omgevingsrecht (zoals dat sedert 1 november 2014 van kracht is) is gebleken dat het mogelijk is om vergunningsvrij bouwen via het bestemmingsplan te beperken door het gebruik van tuinen in het bestemmingsplan weg te bestemmen, of mede te bestemmen als grond dat naast het gebruik van tuin een ander belang dient. In dit geval dienen de individuele tuinen gezamenlijk een algemeen belang van een open en rustige binnentuin. In de dubbelbestemming wordt aangegeven dat ter plaatse van de dubbelbestemming de gronden uitsluitend gebruikt mogen worden voor de instandhouding van de aanwezige landschappelijke waarden, bestaande uit een open en rustige binnentuin. Deze dubbelbestemming zorgt ervoor dat de tuin achter het hoofdgebouw niet langer aangemerkt wordt als "erf" in de zin van het Besluit omgevingsrecht. Op het moment dat de tuin geen erf meer is, kan er ook niet in dat erf gebouwd worden.

Dit betekent overigens niet dat de tuin niet als tuin gebruikt kan worden, of zelfs niet dat er niet gebouwd kan worden. De ondernemers en bewoners vallen terug op de bestemming Tuin en de mogelijkheden die daarin worden geboden; alleen het vergunningsvrije bouwen wordt uitgesloten.

Het nadeel van deze regeling is dat ieder bouwwerk dat nieuw wordt opgericht in de tuin, vergunningsplichtig wordt. Aangezien dit regulerend werkt omdat de ondernemers/bewoners van de Pijp bij kleine overschrijdingen van het bestemmingsvlak - die normaliter vergunningsvrij zouden zijn te realiseren - een omgevingsvergunning moeten aanvragen, is er een deel van het erf vrijgelaten van de dubbelbestemming. Dit deel betreft een strook van 2,5 meter uit de oorspronkelijke achtergevel. Hier wordt een bouwrecht toegekend in de bestemming Tuinen, voor het oprichten van een bijbehorend bouwwerk tot 2,5 meter uit de achtergevel. Omdat de dubbelbestemming daar niet geldt, is deze strook wel erf in de zin van het Bor en kan daar op grond van artikel 3 Bijlage II Bor alsnog een bijbehorend bouwwerk gebouwd worden zonder vergunning. Een bouwwerk dat op grond van artikel 3 van het Bor opgericht kan worden, is een bouwwerk dat past binnen de regels van het bestemmingsplan. Om aan het bestemmingsplan te kunnen voldoen, zijn wel enkele voorwaarden opgenomen. Zo mag het bijbehorend bouwwerk alleen worden opgericht als (onder andere) het oppervlak van het te realiseren bijbehorende bouwwerk niet leidt tot meer dan 50% bebouwing in de tuin en er een groen dak op gerealiseerd wordt.

3.2.4 Openbare ruimte

De inrichting van de openbare ruimte krijgt geen plaats in het bestemmingsplan. Het is noodzakelijk om daar de nodige flexibiliteit in te bieden, zodat verkeersbesluiten, groot onderhoud, verplaatsen van groen etc. niet kunnen leiden tot een strijdigheid met het bestemmingsplan.

De onbebouwde gronden die openbaar begaanbaar zijn, hebben een bestemming die past bij het gebruik dat hoofdzakelijk op die gronden plaatsvinden. Zo hebben de doorgaande wegen en de woonstraten van gevel tot gevel een verkeersbestemming. Binnen de verkeersbestemming zijn rijwegen, parkeren en groenvoorzieningen toegestaan. Daar waar momenteel trams rijden, zal andere verkeersbestemming komen, dit om te voorkomen dat het bestemmingsplan tramvoorzieningen toestaat op locaties waar deze voorzieningen niet aanwezig zijn.

De bomen en groenvoorzieningen in woonstraten en doorgaande wegen zijn qua omvang ondergeschikt aan de verkeersdoeleinden en zijn derhalve niet in de verbeelding opgenomen. Daar waar het groen wel de hoofdfunctie vervult, zoals in het Sarphatipark en de oevers langs het water, is de groenbestemming toegekend. In deze bestemming is autoverkeer en parkeren niet toegestaan.

Omdat de plangrens is gelegen op de waterkant, kan het feitelijk zijn dat oppervlaktewater in de groenbestemming voorkomt. Dat is toegestaan. In het Sarphatipark komt eveneens oppervlaktewater voor, maar dat heeft geen eigen bestemming Water. Dit is te rigide, omdat bij een minimale aanpassing in de openbare ruimte direct een aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk zou zijn. Omdat het water onderdeel uitmaakt van het park, is het onder de groenbestemming van het park geschaard. Middels een dubbelbestemming Waarde - Hoofdgroenstructuur wordt voorkomen dat de omzetting van groen naar water zondermeer kan. Hier zal eerst advies voor ingewonnen moeten worden bij de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur.

Binnen de bestemmingen Verkeer en Groen zijn nieuwe gebouwen niet toegestaan, alleen bouwwerken (geen gebouwen zijnde). Dit heeft als gevolg dat de bestaande zichtlijnen, zoals deze in het cultuurhistorisch advies van Monumenten & Archeologie van de gemeente Amsterdam zijn omschreven, behouden zullen blijven.

3.2.5 Parkeren op straat

Zoals in de voorgaande paragraaf is aangegeven, zal de inrichting van de openbare ruimte flexibel blijven en niet in het bestemmingsplan vastgelegd worden waar het trottoir ligt, waar de bomen staan en waar de parkeerplaatsen gesitueerd moeten worden. Er zal dan ook niet via het bestemmingsplan gestuurd kunnen worden op parkeerdruk. Dit geldt eveneens voor fietsenstallingen in de openbare ruimte en het sturen op fietsparkeerdruk.

3.3 Functionele structuur

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze de functionele structuur van de Pijp kan wijzigen als gevolg van onderhavig bestemmingsplan. Daar waar onderwerpen onbesproken blijven, kan aangenomen worden dat daarvoor geen beleidsmatige wijzigingen zijn doorgevoerd die hebben geleid tot een andere regeling dan het voorgaande bestemmingsplan.

3.3.1 Wonen

Algemeen

De Pijp is - ondanks de vele voorzieningen die in het gebied aanwezig zijn - hoofdzakelijk een woongebied. Het gebied is populair bij de jongeren, die graag midden in een centrumstedelijke omgeving willen wonen, maar niet per se behoefte hebben aan een grote woning. Maar ook de bewoners die in de Pijp woonden voordat de transformatie naar woon/werkgebied begon, blijven graag in deze buurt wonen. Dat betekent dat naast studenten-, jongeren- en starterswoningen ook woningen voor senioren en zorgbehoevende ouderen nodig zijn. Het bestemmingsplan faciliteert al deze woningen in de woonbestemming.

Woonzorg

Nieuw in de woonbestemming is het toestaan van woonzorgcentra. Een woonzorgcentrum wordt gedefinieerd als "een gebouw of gedeelte van een gebouw waar een specifieke doelgroep, zoals ouderen, woont, die algemene en medische verzorging geniet en waar naast ruimten voor verzorging tevens bij het zorgcentrum behorende ruimten zoals ondergeschikte detailhandel, ondersteunende horeca en overige nevenruimten zijn inbegrepen". Het gaat hierbij om onzelfstandige bewoning, waarbij de directe nabijheid van zorg essentieel is. Het verschil met zorgwoningen zit in het zelfstandige karakter van zorgwoningen, waar de zorg op afroep beschikbaar is. Woonzorgcentra bevinden zich meestal in grotere gebouwen, die in de meeste bestemmingsplannen een maatschappelijke bestemming hebben gekregen. De keerzijde hiervan is dat het doet voorkomen alsof woonzorg alleen binnen die maatschappelijke bestemming in te passen is. Mocht de vergrijzing ook in de Pijp een rol gaan spelen, dan kan het zijn dat het aantal (beschikbare) gebouwen met een maatschappelijke bestemming ontoereikend zal zijn om de zorgbehoevende ouderen te huisvesten. In dit bestemmingsplan wordt een woonzorgcentrum dan ook passend geacht binnen de woonbestemming, zodat het mogelijk is om (op kleinere schaal) woonzorgcentra te realiseren binnen de reguliere woningvoorraad. Om te waarborgen dat deze kan voorzien in de bijbehorende zorg, gemeenschappelijke ruimtes en andere ondersteunende functies, zijn woonzorgcentra alleen toegestaan bij woonpanden waarin in de plint dergelijke functies zijn toegestaan. Dit komt neer op het toestaan van woonzorgcentra in de gemengd-bestemmingen, waarbij het gebruik van de plint ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen bij recht is toegestaan. Binnen de enkelbestemming Wonen wordt deze mogelijkheid nog niet op voorhand geboden, omdat het gebruik van de plint ten behoeve van niet-woonfuncties eerst middels een afwijking van het bestemmingsplan afgewogen moet worden.

Bedrijfsactiviteiten aan huis

Binnen de woningen is het altijd toegestaan om een deel van de woning bedrijfsmatig te gebruiken. Dit kan door een bedrijf aan huis te beginnen, of een beroep aan huis uit te oefenen. Het zal eveneens toegestaan zijn om een Bed & Breakfast te beginnen. Voor al deze aan huis gebonden bedrijfsactiviteiten geldt dat deze niet groter mogen worden dan de het bewoonde deel van de woning. Om te waarborgen dat deze ondergeschiktheid behouden blijft, mag niet meer dan 40% van de woning voor bedrijfsmatige activiteiten worden aangewend. De bedrijvigheid moet uitgevoerd worden door de hoofdbewoner(s) zelf. Bij Bed & Breakfast geldt tevens dat er niet meer dan 4 personen tegelijk van de overnachtingsfaciliteit gebruik mogen maken.

Toeristische verhuur

Het bestemmingsplan voorziet niet in de bestemming short stay. Toen deze vorm van toeristische verhuur een vlucht begon te nemen, heeft de gemeenteraad aangegeven alle bestemmingsplannen in de gemeente short stay bij recht toe te willen staan. Via de short stay vergunning kon dan gestuurd worden op het aantal woningen dat voor short stay aangewend mocht worden en waar de short stay mocht komen. In de meer centrumstedelijke delen van de stad bleek short stay dermate populair, dat de woonbestemming onder druk kwam te staan. In het nieuwe overnachtingenbeleid van de gemeente (zie paragraaf 4.4.5) wordt aangegeven dat ook voor de komende jaren short stay niet meer vergund zal gaan worden (zie ook paragraaf 4.4.4). Het is daarmee ook niet langer noodzakelijk om deze functie op te nemen bij de woonbestemming. In dit bestemmingsplan is short stay dan ook niet als functie toegestaan en zal bij een wijziging in beleid - waarbij weer overgegaan wordt tot afgifte van short stay vergunningen - afgeweken moeten worden van het bestemmingsplan. Tijdelijke toeristische verhuur is toegestaan en wordt niet nader in het bestemmingsplan geregeld.

Wonen uitgesloten

Door de groeiende trend in internetverkoop en de daarmee samenhangende afname van verkoop in reguliere winkels, is een verschuiving van detailhandel waarneembaar in de Pijp: de bekende winkelstraten zijn populair en kennen weinig leegstand. De winkels en andere voorzieningen in de zijstraten hebben het wat moeilijker. De leegstand die daar kan ontstaan krijgt steeds meer een structureel karakter. De huren van winkelruimtes in de kernwinkelstraten worden door de toenemende populariteit hoger en maakt het kleine ondernemers lastig om het hoofd boven water te houden. Deze kleine, voor de Pijp belangrijke, ondernemers worden verdrongen naar locaties waar de huren nog betaalbaar zijn. In de zijstraten van de kernwinkelstraten kunnen deze ondernemers wel een plek vinden. Gezien deze bewegingen, is in dit bestemmingsplan rekening gehouden met de wijze waarop de woonfunctie winkelstraten beïnvloedt. Zo worden woningen in de kernwinkelstraten in de plint uitgesloten, om te voorkomen dat de open winkelplinten worden doorbroken door woningen die doorgaans een meer gesloten karakter hebben. Daar waar reeds een woning aanwezig is, is deze wel op de verbeelding aangeduid, maar mag deze zondermeer gewijzigd worden naar winkelruimte.

Buiten de kernwinkelstraten wordt het recht tot het vestigen van een woning niet uitgesloten. Daar zal een omzetting van niet-woonfunctie naar woonfunctie wel toegestaan worden, om te voorkomen dat er langdurige leegstand ontstaat in winkelsruimtes. Er is wel een uitzondering gemaakt voor de Gerard Doustraat (tussen Ferdinand Bolstraat en Gerard Douplein) en de Daniël Stalpertstraat (tussen Ferdinand Bolstraat en Gerard Douplein). Deze straten fungeren als overloopgebied voor de ondernemers die in de kernwinkelstraten niet kunnen overleven. Als hier de mogelijkheid tot omzetting naar wonen behouden blijft, dan wordt het zoekgebied voor de kleine ondernemers steeds kleiner als de panden omgezet worden naar woningen.

Een andere uitzondering op de mogelijkheid om niet-woonfunctie om te zetten naar woning, is de aanwezigheid van een ambachtelijk bedrijf. Deze bedrijven zijn zeer waardevol voor de Pijp, omdat zij mede de Pijp het karakter van gezellige volksbuurt bepalen. Om deze ambachtelijke bedrijven te beschermen, worden de omzetting van woningen ter plaatse van ambachtelijke bedrijven niet toegestaan.

3.3.2 Detailhandel

Met name in de Oude Pijp zijn veel winkels en andere voorzieningen aanwezig. Deze concentreren zich steeds meer in de bekendere winkelstraten zoals de Ferdinand Bolstraat, Ceintuurbaan, Albert Cuypstraat en Van Woustraat. In de structuurvisie Amsterdam 2040 Economisch Sterk en Duurzaam (zie paragraaf 4.4.1) zijn de Ferdinand Bolstraat, Van Woustraat en de Ceintuurbaan aangewezen als "stadsstraten". Deze straten worden in de Structuurvisie omschreven als "de ruimere, drukkere straten en pleinen in of tussen buurten. Het zijn de stedelijke openbare ontmoetings- en uitwisselingsruimtes bij uitstek. Het zijn visitekaartjes van de stad. Ze hebben nagenoeg altijd een belangrijke winkel- of horecafunctie. Meestal hebben ze een belangrijke verkeersgeleidende functie". In deze straten wordt met dit bestemmingsplan detailhandel en horeca meer gefaciliteerd dan in overige straten van de Pijp. Voor detailhandel geldt dat dit zondermeer is toegestaan. Om wel het kleinschalige karaker van de Pijp te kunnen behouden binnen de stadsstraten, worden wel beperkingen opgelegd aan de grootte van de vestigingen. Zo geldt er een maximum winkelvloeroppervlak van 300 m2 en een bruto vloeroppervlak van 500 m2. Het verschil tussen deze twee oppervlaktes maakt het mogelijk om de opslag in de winkel te laten plaatsvinden, zodat het aantal bewegingen voor laden en lossen buiten de winkelgebieden - waar de opslag vaak plaatsvindt - te kunnen verminderen. Voor winkels in de Ferdinand Bolstraat tussen de Albert Cuypstraat en de Ceintuurbaan geldt dat deze groter mogen zijn: maximaal 500 m2 winkelvloeroppervlak en 700 m2 bruto vloeroppervlak. Dit oppervlak mag ook verkregen worden door de eerste verdieping te gebruiken voor de winkel, mits daarboven gewoond wordt.

Een andere manier om de kleinschaligheid te waarborgen, is het beperken van het samenvoegen van panden. Een winkelvloeroppervlak van 300 m2 kan in veel gevallen pas gerealiseerd worden door vier panden samen te voegen. In de Ferdinand Bolstraat zouden dat er zes kunnen zijn, vanwege het hogere maximum voor de vestigingsgrootte. Dit zorgt voor langgerekte winkelpuien voor één winkel, waarmee niet alleen het straatbeeld bepaald wordt door een klein aantal grotere winkelketens, maar ook de diversiteit wordt verminderd en het kleinschalige karakter van de Pijp verdwijnt. Aangezien een dergelijk straatbeeld een onbedoeld gevolg kan zijn van deze toegestane vestigingsgroottes, wordt het aantal samenvoegingen beperkt. Overal mogen slechts 2 panden worden samengevoegd. In het deel van de Ferdinand Bolstraat waar een hoger maximum voor de vestigingsgrootte geldt, mogen maximaal 3 panden samengevoegd worden. Zowel het maximum aantal samen te voegen panden als het maximum van de vestigingsgrootte zijn beiden van kracht. Het is niet toegestaan om het ene maximum te overschrijden om het andere maximum te kunnen behalen.

Het belang van het behoud van winkelstraten komt in de regels van dit bestemmingsplan tot uiting middels een aparte bestemming Gemengd - 3 (winkelstraten). In deze bestemming is alleen detailhandel en ambachtelijke bedrijvigheid in de plint als gebruiksrecht direct toegelaten. Alle andere in deze straten voorkomende functies zijn alleen toegestaan als ze nu aanwezig zijn. Deze worden met een functieaanduiding op de verbeelding toegestaan. Het gaat dan om de Ferdinand Bolstraat, de Van Woustraat en de Albert Cuypstraat.

De Ceintuurbaan is ook een stadsstraat volgens de Structuurvisie, maar door het profiel van de openbare ruimte, is het niet aan te merken als een winkelstraat. Het is een soort brede allee, waarbij aan beide zijden voorzieningen te vinden zijn. De Ceintuurbaan wordt dan ook gezien als een doorgaande straat, waar meerdere functies mogelijk wordt geacht dan uitsluitend detailhandel en horeca. Dit blijkt ook uit de functiemix die nu aanwezig is: er zijn naast de winkels en horeca ook kinderdagverblijven, vrije tijdsfuncties (casino, theater), meubelzaken, uitzendbureaus en woningen aanwezig.

Een bijzondere categorie binnen detailhandel zijn supermarkten. Door de grote aantallen mensen die op supermarkten afkomen, de frequente laad- en losactiviteiten en de bijbehorende verkeersbewegingen onderscheiden supermarkten zich van andere winkels. De effecten die supermarkten op het woon- en leefklimaat hebben, zorgen ervoor dat er terughoudend omgegaan dient te worden met het aantal supermarkten in een dicht bebouwde woonomgeving, waar er reeds een grote druk op de openbare en bebouwde ruimte bestaat als gevolg van het centrumstedelijke karakter van de buurt. In het voorgaande bestemmingsplan werden supermarkten passend geacht binnen de bestemming detailhandel. Daar waar een grote bedrijfsruimte aanwezig was, kon deze zondermeer in gebruik worden genomen door een supermarktexploitant. In dit bestemmingsplan wordt niet zozeer de groei van (het aantal) supermarkten als ongewenst beschouwd, maar bestaat meer de behoefte om een afweging te maken over de specifieke locatie waar een supermarkt zich zou kunnen vestigen. Ook kan in het kader van deze afweging onderzocht worden wat de effecten zijn van de nieuwe vestiging van een supermarkt voor de rest van het winkelaanbod. Indien een nieuwe supermarkt leidt tot structurele leegstand in andere delen van de wijk doordat consumenten niet langer bereid zijn om hun boodschappen elders te doen en de betreffende winkelpanden niet door andere detailhandelsvormen gevuld kunnen worden, dan kan dit aanleiding vormen om geen medewerking te verlenen aan de supermarkt. De effecten die de vestiging van een supermarkt dan heeft op het woon- en leefklimaat elders kunnen dan de doorslag geven om al dan niet medewerking te verlenen. Er is op voorhand wel een inschatting gemaakt waar een supermarkt nog wel toegestaan kan worden, gezien de spreiding van supermarkten in de Pijp: de zuidzijde van de Van Woustraat zou mogelijk nog een supermarkt kunnen huisvesten. Hierbij geldt wel dat er alsnog bekeken zal moeten worden wat de effecten op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de supermarkt zullen zijn en wat de effecten zijn op de winkels die door de vestiging van de supermarkt het lastig gaan krijgen.

3.3.3 Bedrijvigheid

Tussen de vele commerciële voorzieningen die gericht zijn op direct contact met de consumenten, zijn ook veel bedrijfjes die minder op de consument gericht zijn in het plangebied aanwezig. Dit zijn voor de Pijp zeer waardevolle functies, die het karakter van de buurt als voormalige arbeiderswijk hoog houden. Veel van die bedrijfjes zijn ambachtelijk te noemen: er wordt op een traditionele wijze producten vervaardigd middels handwerk of met behulp van eenvoudige hulpmiddelen. Het gebied kent ook grotere bedrijven, zoals drukkerijen, autoherstelbedrijven en stallingsgarages.

Door de opkomende populariteit van het gebied, komen deze bedrijven onder druk te staan. Om de diversiteit in het aanbod te kunnen garanderen en de (ambachtelijke) bedrijven te behouden, zal een uitwisseling met andere commerciële functies niet direct mogelijk zijn. Er is een lijst opgesteld met de meest voorkomende soorten ambachtelijke bedrijven. Deze kunnen wel met elkaar uitgewisseld worden. Ook is er een bedrijvenlijst opgenomen in het bestemmingsplan voor bedrijven die niet op ambachtelijke wijze producten vervaardigen, zodat leegkomende bedrijfsruimtes altijd weer ingevuld kunnen worden door andere bedrijven. Binnen panden met een niet-ambachtelijk bedrijf mogen wel ambachtelijke bedrijven komen, maar daar waar reeds een ambachtelijk bedrijf zit, mag niet zondermeer een niet-ambachtelijk bedrijf komen. Voor alle bedrijven geldt dat deze niet erg groot mogen worden, ter voorkoming van de mogelijke milieuhinder die bedrijven kunnen veroorzaken voor omwonenden en andere ondernemers. De bedrijvenlijsten zullen tevens alleen bedrijven toestaan waarvan vaststaat dat deze een beperkte tot geen hinder veroorzaken.

3.3.4 Horeca

Uitbreiding van horeca

Eén van de belangrijkere trekkers van de Pijp, is het grote aanbod aan horecavoorzieningen. Met name in de Noord-Pijp heeft het aantal koffiehuizen, lunchrooms en restaurants de laatste jaren een vlucht genomen. De toename in het aantal horecavoorzieningen heeft ook gezorgd voor een toename van druk in de openbare ruimte. Er zijn meer terrassen, fietsers en bezoekers dan 10 jaar geleden, wat wel allemaal in dezelfde ruimte een plek moet krijgen. Deze toegenomen drukte heeft ervoor gezorgd dat bij omwonenden (maar ook langer zittende ondernemers) verzadiging is opgetreden in het aantal horecavoorzieningen dat zij kunnen verdragen.

In het startdocument Stad in Balans, waarin ambities en concrete acties staan benoemd om de toenemende druk in de stad zo goed mogelijk te kunnen begeleiden, wordt als eerste aandachtspunt "de urgentie om in de stad een betere balans te bereiken tussen wonen, werken, winkelen en toerisme" genoemd. Voor de Noord-Pijp is deze urgentie inmiddels groot. In dit bestemmingsplan wordt de bestaande balans behouden en waar mogelijk, te verbeteren. Dit is onder andere gedaan door de bestaande horeca vast te leggen op de verbeelding van dit bestemmingsplan en nieuwe horeca niet langer in het bestemmingsplan te voorzien. Uitzondering hierop vormen de Ceintuurbaan tussen de Ruysdaelkade en het Sarphatipark, de Ceintuurbaan tussen Sarphatipark en Amsteldijk, de Ferdinand Bolstraat tussen de Lutmastraat en Jozef Israëlskade, de Van Woustraat tussen de Tolstraat en de Jozef Israëlskade. In de genoemde straten, welke in de Structuurvisie van Amsterdam zijn aangewezen als stadsstraten (zie ook paragraaf 3.3.2), zal het mogelijk blijven om tot 25% van de straatwand horeca te realiseren. Deze regeling bestond ook in het vorige bestemmingsplan en zal voor genoemde doorgaande straten behouden blijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0042.jpg"

Afbeelding 39: Locaties waar nog uitbreiding van horeca mogelijk wordt geacht, na toepassing van een binnenplanse afwijking.

In de straten waar nog uitbreiding mogelijk wordt geacht, is de schaal van de openbare ruimte anders dan in de drukkere delen van de Pijp. Zowel de Ceintuurbaan, als de Ferdinand Bolstraat ten zuiden van de Lutmastraat en de Van Woustraat ten zuiden van de Tolstraat kennen een voor de Pijp zeer breed profiel. Eventuele geluiden afkomstig van horecavoorzieningen vallen weg tegen het achtergrondgeluid van de langsrijdende auto's en trams en van het winkelend publiek. Daarnaast zal in deze straten een percentage van 25% horeca in de straatwand niet snel leiden tot een onaanvaardbare druk op de openbare ruimte, aangezien er meer ruimte aanwezig is om alle gebruikers een plek te geven.

De mogelijkheden die worden geboden voor uitbreiding van horeca, kunnen alleen ingevuld worden met kwalitatieve horeca. In dit bestemmingsplan wordt aangesloten bij het Horecabeleid Zuid 2011 (zie paragraaf 4.4.8), inclusief de categorieën van horeca die hierin zijn onderscheiden. Kwalitatieve horeca valt onder categorie IV: Een inrichting die geheel gericht is op het verstrekken van maaltijden of etenswaar, die uitsluitend ter plaatse aan tafel genuttigd worden. Voorbeelden zijn eetcafés, restaurants, lunchrooms, theehuizen, ijssalons, etc. Van horecavoorziening in deze categorie wordt over algemeen aangenomen dat deze een aangename en uitnodigende uitstraling hebben en weinig (significante) overlast voor de woon- en leefomgeving opleveren. Binnen deze categorie een grote diversiteit aan horecavoorzieningen te onderscheiden. Wel gaat het uitsluitend om horeca met een aangenaam verblijfsklimaat dat een (relatief) lang verblijf stimuleert en faciliteert. Het is een horecacategorie die daarmee meer gericht is op bezoekers van de wijk en minder op de bewoners. De bewoners zullen hier minder vaak gebruik van maken dan horecavoorzieningen die

De mogelijkheden voor nieuwe horeca zijn niet als gebruiksrecht opgenomen, maar als binnenplanse afwijking. Op deze manier kan nog in het individuele geval bekeken worden of het betreffende initiatief niet alsnog leidt tot een onevenredige druk op de openbare ruimte of ervoor zorgt dat het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt aangetast.

De terrassen bij de horecavoorzieningen worden toegestaan in de bestemming waarin de terrassen zijn gesitueerd. Dit komt vaak neer op het toestaan van terrassen in de Verkeer-bestemming.

Ondersteunende horeca

Mengformules

Door de groei van het aantal bestedingen op het internet en de daarmee samenhangende verminderde omzetten in winkels, zijn winkeliers genoodzaakt hun omzetten op een andere manier te verkrijgen. Winkels moeten zich nu meer van elkaar onderscheiden en de consument iets extra's kunnen bieden, zodat ze eerder in de winkel hun aankopen doen dan op internet. Het winkelen wordt daarmee steeds meer een beleving, waarbij de consument verleid wordt om langer in de winkel te verblijven dan voorheen. Dit kan door unieke artikelen aan te bieden, de inrichting van de winkel uitnodigender te maken of het winkelen te veraangenamen door iets te eten en drinken aan te bieden.

In Amsterdam wordt ruimte geboden aan winkeliers om in hun onderneming een deel te benutten voor horeca. Het gaat dan om horeca, die ondersteunend is aan de winkel. In de Algemene Plaatselijke Verordening is aangegeven dat de burgemeester gevallen kan aangeven waarin geen vergunning is vereist voor horecabedrijven. Per besluit van 9 februari 2015 heeft de burgemeester bepaalt dat er geen vergunningplicht geldt voor:

"horeca-activiteiten in winkels, waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, uitsluitend alcoholvrije dranken en/of eetwaren voor gebruik ter plaatse en die voldoen aan de

  • a. de winkelactiviteit valt niet onder de uitsterfregeling van het betreffende bestemmingsplan;
  • b. het horecagedeelte beslaat geen groter vloeroppervlak dan maximaal 20% van het netto vloeroppervlak van de hele winkel, en het horecagedeelte is niet groter dan 20 m2;
  • c. de horeca-activiteit wordt door dezelfde ondernemer geëxploiteerd;
  • d. de horeca-activiteit wordt alleen uitgeoefend gedurende de tijden dat de winkel geopend is."

Winkels met dergelijk horeca-activiteiten worden mengformules genoemd. In Horecabeleid Zuid 2011 is deze vorm van ondersteunende horeca opgenomen en opgerekt naar 30% van het netto oppervlak van de hele winkel, met een maximum van 30 m2. Aangezien dit meer is dan de burgemeester toestaat zonder vergunning, zijn voor dergelijke horeca-activiteiten wel een exploitatievergunning nodig. In dit bestemmingsplan wordt aangesloten bij het horecabeleid en is binnen winkels en andere publieksgerichte commerciële voorzieningen de mogelijkheid opgenomen om horeca-activiteiten tot 30% van de winkel met een maximum van 30 m2 te exploiteren.

Additionele horeca

De mengformules hebben een ondersteunende functie aan de winkels en andere publieksgerichte voorzieningen met een commerciële invalshoek. Er zijn echter ook voorzieningen die minder commercieel zijn en meer gericht zijn op het verlenen van diensten, al dan niet tegen een (kostendekkende) vergoeding. Bij dergelijke voorzieningen kan horeca ervoor zorgen dat de exploitatie financieel beter sluitend kan worden gemaakt. Het gaat met name om maatschappelijke, culturele en sportieve voorzieningen, waarbij een deel van het vloeroppervlak van de voorziening gebruikt wordt voor het tegen vergoeding schenken van dranken en/of verstrekken van spijzen voor directe consumptie. Bijvoorbeeld een sportkantine of een museumrestaurant voor bezoekers.

In het horecabeleid van Zuid is aangegeven dat additionele horeca 20% van de betreffende voorziening mag bedragen. Aangezien het in veel gevallen gaat om gebouwen met een aanzienlijk oppervlak, kan een horecavoorziening alsnog een behoorlijk oppervlak krijgen en zelfstandig voorkomen. Voor de Pijp is een dergelijke schaal ongewenst en is het percentage gehalveerd. Bij maatschappelijke, culturele en sportieve voorzieningen is het nu toegestaan om 10% van de voorziening voor additionele horeca in gebruik te nemen.

Culturele horeca

Voor veel culturele instellingen is een goede horeca-exploitatie vaak noodzakelijk om de exploitatie financieel mogelijk te maken. De meeste culturele instellingen exploiteren horeca als ondergeschikte horeca op basis van de additionele horeca regeling (zie hierboven). Deze regeling stelt een aantal beperkende voorschriften aan de horeca exploitatie en staat hiermee in sommige gevallen een goede culturele exploitatie in de weg. Deze beperkingen kunnen alleen worden opgeheven door (gedeeltelijk) zelfstandige horeca voor culturele instellingen mogelijk te maken. Dit kan wanneer een pand (met een maatschappelijke functie, of bestemming cultuur en ontspanning) een (gedeeltelijke) horecafunctie krijgt in het bestemmingsplan. In dit bestemmingsplan is deze horeca C bestemming alleen toegekend aan Cinetol op de Tolstraat. De andere culturele voorzieningen in het plangebied kunnen wel toe met de additionele horeca regeling.

3.3.5 Maatschappelijke voorzieningen

Afwijkend gebruik

Maatschappelijke voorzieningen (voorzieningen die een maatschappelijk belang dienen, zoals gezondheidszorg, educatie, religie, kunst & cultuur, woonzorg etc.) hebben over het algemeen geen winstoogmerk. Het is voor dergelijke voorzieningen derhalve lastig om dezelfde huur- en gebruikskosten te dragen als commerciële voorzieningen. In een gebied waar de huren hoog zijn, is de overlevingskans voor maatschappelijke voorzieningen laag. Omdat het belangrijk is voor de wijk dat er voldoende voorzieningen in de omgeving zijn die de wijk kunnen ondersteunen (zoals buurtcentra, zorgpunten, scholen, kinderopvang), dient er ten alle tijde een minimum aanbod te zijn aan maatschappelijk te gebruiken oppervlak. In de Pijp bestaat het aanbod aan maatschappelijk oppervlak voornamelijk uit (voormalige) schoolgebouwen, kerken/moskeeën, verzorgingshuizen en gebouwen in eigendom van de gemeente. Dit zijn over het algemeen gebouwen met een groot oppervlak.

De laatste jaren zijn er trends ontstaan waarbij deze grote maatschappelijk bestemde gebouwen leeg kwamen te staan of aan een wijziging van de bestemming onderhevig zijn. Zo staan er een aantal schoolgebouwen leeg, is het lastig gebleken een passende bestemming te vinden voor het voormalige stadsdeelkantoor aan de Karel du Jardinstraat en is het verzorgingshuis Tabitha aan de Amsteldijk van bestemming gewijzigd ten behoeve van de omzetting naar zelfstandige zorgwoningen voor ouderen (Het Amstelhuis). Het stadsdeel beweegt wel mee met deze trends, maar wil er ook voor zorgdragen dat er een minimaal aanbod aan maatschappelijk oppervlak behouden blijft. Dit om trendongevoelige functies een plek te kunnen blijven bieden, maar ook om omgekeerde trends (als bijvoorbeeld weer meer behoefte aan intramurale zorg en/of schoollokalen ontstaat) op te kunnen vangen.

Het bovenstaande leidt tot het overnemen van de maatschappelijke bestemming voor gebouwen die in het voorgaande bestemmingsplan reeds als zodanig waren bestemd, ongeacht welke afwijking van deze bestemming is verleend. Zo zal het Amstelhuis, dat vanuit de feitelijke situatie redenerend een woon-bestemming zou moeten verkrijgen, de maatschappelijke bestemming behouden. Binnen deze maatschappelijke bestemming zal wel aangegeven worden dat - in dit geval - er ook zelfstandig gewoond mag worden. Hiermee wordt zowel het zelfstandig wonen toegestaan, maar blijft het ook mogelijk om het gebouw weer (gedeeltelijk) om te zetten naar bijvoorbeeld een verzorgingshuis, zonder hiervoor de bestemming aan te passen. Dit zal gedaan worden voor alle andere gebouwen in de Pijp waar in afwijking van de maatschappelijke bestemming in het verleden een ander (niet-maatschappelijk) gebruik is toegestaan. Wel zal deze vergunde afwijking toegestaan blijven. Dit zal met een aanduiding op de verbeelding worden geregeld en het opnemen van deze aanduiding in de bestemmingsomschrijving van de bestemming Maatschappelijk.

Meer mogelijkheden

De maatschappelijke bestemming biedt mogelijkheden voor een breed scala aan functies. Vaak is het onmogelijk om in het bestemmingsplan uitputtend aan te geven welke voorzieningen binnen de maatschappelijke bestemming passen. Er wordt dan ook wel eens gebruik gemaakt van een begripsbepaling, waarbij naast de opsomming van onmiskenbaar maatschappelijke voorzieningen de zinsnede "en daarmee vergelijkbare voorzieningen" werd gebruikt. In dit bestemmingsplan wordt de begripsbepaling van "maatschappelijk" aangevuld met de functies die voorheen onder de noemer "vergelijkbare voorzieningen" werden gevat, om een completer beeld te krijgen van hetgeen binnen deze bestemming is toegestaan. Zo ontbrak voorheen kunst, cultuur, verenigingssport en medische voorzieningen. Deze zullen in de definitie van maatschappelijk worden opgenomen. De term "vergelijkbare voorzieningen" zal overigens wel behouden blijven als vangnet.

Kinderopvang

Binnen de maatschappelijke bestemming is eveneens kinderopvang toegestaan. Dit omvat dagopvang (0-4 jaar) en buitenschoolse opvang (4-12 jaar). De Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen verplicht dat bij iedere locatie waar kinderopvang wordt aangeboden, tevens voldoende buitenruimte aanwezig is. In stadsdeel Zuid wordt deze buitenruimte vaak gerealiseerd in de achtertuin. Omdat de meeste achtertuinen zich in een (half)gesloten bouwblok bevinden, kunnen de bewoners van het betreffende bouwblok te maken krijgen met buitenspelende kinderen (met het daarbij behorende stemgeluid en het geluid van vallende objecten). Dit kan worden ervaren als hinderlijk, met name als er meerdere kinderdagverblijven in hetzelfde bouwblok zitten.

Strikt genomen is het bedrijfsmatig gebruiken van de tuin in strijd met het bestemmingsplan. De tuinen in Zuid zijn, zoals in paragraaf 3.2.3 beschreven, de stiltegebieden van de bewoners op hoger gelegen bouwlagen. Het toestaan van een kinderdagverblijf en het daarbij behorende gebruik van de tuin staat hier haaks op. Echter, kinderopvang wordt eveneens gezien als een belangrijke functie voor de stad, die ook in de Pijp ruimte moet houden voor uitbreiding. Dit houdt in dat er per geval een belangenafweging gemaakt moet worden tussen enerzijds het kinderdagverblijf en anderzijds de rust van de bewoners. Deze afweging zal niet in het kader van dit bestemmingsplan gemaakt worden, omdat ieder bouwblok andere (akoestische) eigenschappen heeft. Zo is het denkbaar dat in grote bouwblokken met grote binnenterreinen meer kinderdagverblijven kunnen komen, dan in kleine binnenterreinen. Tevens kan de aanwezige bebouwing een rol spelen, maar ook de grootte van het kinderdagverblijf en het beleid dat de organisatie voert ten aanzien van buitenspelen. Er zal per geval bekeken moeten worden of het betreffende bouwblok ruimte kan bieden voor het betreffende kinderdagverblijf. Dit leidt tot het niet zondermeer toestaan van het gebruik van de tuin als buitenruimte bij kinderopvang. Daar waar reeds kinderopvang aanwezig is, zal deze positief worden bestemd met een functieaanduiding in de bestemming Tuinen. Is deze aanduiding niet aanwezig, dan kan een kinderopvang alleen gerealiseerd worden als afgeweken wordt van de bestemming Tuinen. Hiervoor is een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen, met de volgende voorwaarden:

  • a. het gebruik is ten dienste van de functie in het hoofdgebouw;
  • b. het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  • c. er is aangetoond dat de ontwikkeling in de tuin niet ten koste gaat van (waardevolle) bomen en de (binnen)tuin.

De eerste voorwaarde zorgt ervoor dat uitsluitend het gebruik van de tuin als buitenruimte bij kinderopvang wordt toegestaan en niet wordt gebruikt voor andere doeleinden. De tweede voorwaarde betreft de belangenafweging die per geval gemaakt moet worden. Hierbij worden alle aspecten betrokken die een rol kunnen spelen in dat specifieke bouwblok met de komst van betreffende nieuwe kinderopvang. De derde voorwaarde is een waarborg dat niet onder de noemer van een "nieuwe stedelijke ontwikkeling" een eventueel benodigde kapvergunning zondermeer wordt verleend.

3.3.6 Parkeren op eigen terrein

In de Nota Parkeren wordt bij sloop/nieuwbouw parkeren op eigen terrein verplicht gesteld. In de Nota staat niet omschreven op welke wijze dit dan vormgegeven zou moeten worden. Dat betekent dat in principe de Nota Parkeren ruimte biedt om in de binnentuin te parkeren, maar ook op hoger gelegen bouwlagen, de kelder of in de plint. In de praktijk kan dit echter ruimtelijk ongewenste situaties opleveren, welke uitgesloten dienen te worden in het bestemmingsplan.

Zo worden de volgende uitgangspunten gehanteerd voor het plangebied:

  • parkeren in kelders en souterrains is overal toegestaan. Aangezien in het plangebied uitsluitend bestaande kelders en souterrains zijn toegestaan, betekent dit uitgangspunt dat parkeren alleen in bestaande kelders en souterrains is toegestaan. Nieuwe parkeerkelders zijn alleen mogelijk als het bouwwerk geen nadelige gevolgen voor de ondergrond met zich meebrengt. Om te kunnen waarborgen dat er voldoende ruimte blijft om een afweging te maken voor ondergrondse belangen, is het realiseren van (of het uitbreiden van bestaande) kelders alleen mogelijk na afwijken van het bestemmingsplan.
  • parkeren in de plint is alleen bij panden met de bestemming Wonen en Gemengd-1 ingeval van sloop/nieuwbouw direct toegestaan. In de panden die een andere bestemming hebben is doorgaans een voorziening in de plint aanwezig waarvan het gewenst is dat deze niet vervangen wordt door een parkeervoorziening.
  • Parkeren op hoger gelegen bouwlagen (eerste verdieping en hoger) is niet toegestaan.
  • Bestaande parkeerrechten zijn uit het vorige bestemmingsplan overgenomen in de verbeelding.

De normen die in het parkeerbeleid worden gesteld bij sloop/nieuwbouw zijn niet in de regels van het bestemmingsplan opgenomen, maar via een verwijzing naar het beleid. Op deze manier hoeft het bestemmingsplan niet aangepast te worden als het beleid wordt aangepast en biedt het mogelijkheden om maatwerk toe te passen. Het Besluit ruimtelijke ordening biedt in artikel 3.1.2, tweede lid, onder a de juridische basis voor deze wijze van regelen en zet hiermee de praktijk van de aanvullende werking van de Bouwverordening (waarin voorheen de juridische basis lag voor het opstellen van parkeerbeleid) voort.

De Nota Parkeren voorziet in minimumnormen en maximumnormen. Al naar gelang de ruimtelijke situatie ter plaatse van de sloop/nieuwbouw-ontwikkeling kan binnen de Nota Parkeren gemotiveerd afgeweken worden van de gestelde normen. Als het realiseren van een parkeerkelder bijvoorbeeld nadelige gevolgen heeft voor de grondwaterstand, dan kan het bevoegd gezag afwijken van de norm. Meestal zal dit het verlagen van de minimumnorm inhouden, zodat de verplichting om op eigen terrein te parkeren kleiner wordt of zelfs komt te vervallen. Op het moment dat er gebruik gemaakt wordt van deze afwijkingsmogelijkheid binnen het beleid, is er sprake van een ontwikkeling die alsnog voldoet aan het parkeerbeleid. De verwijzing die in het bestemmingsplan naar dit beleid is opgenomen, stelt als eis dat er voldaan moet worden aan het beleid. Als het bevoegd gezag gebruik gemaakt heeft van de afwijkingsmogelijkheid binnen het beleid, dan kan de conclusie getrokken worden dat de ontwikkeling past binnen het beleid en daarmee voldoet aan de eis die in de verwijzing uit het bestemmingsplan is opgenomen. De sloop/nieuwbouwontwikkeling zonder parkeergelegenheid op eigen terrein zal dan alsnog in overeenstemming kunnen zijn met het bestemmingsplan.

3.4 Ontwikkeling: Parkeergarage Willibrordusterrein

In het kader van de uitvoeringsagenda mobiliteit (UAM) van het college van burgemeester en wethouders heeft de gemeente Amsterdam een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd naar parkeervoorzieningen in negen zoekgebieden. Het haalbaarheidsonderzoek (zie Bijlage 2 Quickscan onderzoeken parkeergarage Willibrordusterrein) is op 14 juli 2016 vastgesteld door de gemeenteraad. Uit het onderzoek in het zoekgebied Archiefterrein/Willibrordus is het plein gelegen tussen de Ceintuurbaan en de Willibrordusstraat als voorkeurslocatie naar voren gekomen.

De UAM moet resulteren in een pakket aan maatregelen die ruimte bieden aan alle verschillende vormen van vervoer; voetgangers, fietsers, auto's en openbaar vervoer. Vooral in het drukke binnenstedelijke gebied is die extra ruimte niet eenvoudig te vinden. Door de geparkeerde auto's in de drukste delen van de stad en langs de drukste trajecten niet langer op straat te laten parkeren ontstaat de gezochte ruimte om bijvoorbeeld een vrij liggend fietspad aan te leggen, de verblijfsruimte te vergroten, het trottoir te verbreden of de auto en het openbaar vervoer ieder hun eigen verkeersstrook te geven.

Om meer ruimte te creëren, is gezocht naar mogelijkheden om nieuwe ondergrondse parkeervoorzieningen te realiseren in of nabij de zogenaamde impulsgebieden, de gebieden waar grote druk op de openbare ruimte is. Vanuit de UAM is de Van Woustaat aangewezen als een van de impulsgebieden ter verbetering van de openbare ruimte. In de smalle Van Woustraat krijgen winkelend publiek, voetgangers en fietsers meer ruimte. Ruimte creëren in een smalle straat als de Van Woustraat betekent dat alternatieven gevonden moeten worden voor de parkeerplaatsen op straat en het laden en lossen van de vele ondernemers. De parkeerplaatsen op straat worden elders gecompenseerd, zo dicht mogelijk bij het gebied waar deze parkeerplaatsen verdwijnen. Het alternatief voor de parkeerplaatsen wordt gezocht in een ondergrondse parkeergarage op loopafstand van de Van Woustraat. Het zoekgebied voor het impulsgebied Van Woustraat is Archiefterrein/Willibrordus.

In en rondom de in de UAM gedefinieerde zoekgebieden is in kaart gebracht waar in fysieke zin ruimte kan worden gevonden voor een eventuele nieuwe parkeergarage. Binnen het zoekgebied zijn de Ceintuurbaan, Amsteldijk, Tolstraat, Servaes Noutsstraat en de Rustenburgerdwarsstraat als mogelijke locaties benoemd. Alle potentiële locaties binnen een zoekgebied zijn vanuit verschillende invalshoeken met elkaar vergeleken middels een multi criteria analyse (MCA). Van deze opties is het plein tussen de Servaes Noutsstraat, de Willibrordusstraat en de Ceintuurbaan, op basis van de gehanteerde criteria het meest kansrijk.

De omgeving in kaart gebracht en is een plan gemaakt hoe de direct betrokkenen kunnen participeren bij het ontwerp van de openbare ruimte rondom de garage. Er is een investeringsraming gemaakt, leidend tot een business case waarin ook de exploitatie van de garage is meegenomen. Alle parkeervoorzieningen zijn in financieel opzicht onrendabel, bouwen in de binnenstad is duur, en de opbrengsten vanuit parkeervergunningen zijn hiertoe niet toereikend. De meerwaarde van de parkeervoorzieningen zit in de ruimte die op straat in de impulsgebieden wordt gecreëerd.

Rekening houdend met het aantal te compenseren plaatsen vanuit het impulsgebied Van Woustraat, extra plekken om de wachtlijsten voor een parkeervergunning te verkorten en de plekken om de huidige parkeerplaatsen op het plein ondergronds te brengen is het aantal benodigde parkeerplaatsen bepaald. Het doel is de parkeerdruk te verminderen tot het meer acceptabele niveau van ongeveer 90% en het zoekverkeer te verminderen.

De parkeergarage wordt ondergronds gerealiseerd. Op dit moment is het plan nog in ontwikkeling en het aantal parkeerplaatsen en afmetingen kunnen nog wijzigen. Vooralsnog wordt uitgegaan van openbare parkeergarage voor bewoners en bezoekers met 216 parkeerplaatsen, waarbij er maximaal 266 parkeerplaatsen toegestaan zijn. In het projectonderdeel zoekgebieden parkeervoorzieningen UAM was het uitgangspunt dat er 186 plekken opgeheven worden die terug komen in de parkeergarage, 15 plekken wordt toegevoegd om de parkeerdruk tot 90 % te verlagen en 15 plekken worden toegevoegd om de wachtlijst te verlagen. Afhankelijk van de parkeerdruk en het aantal parkeerplaatsen wat in de Van Woustraat overblijft na de herinrichting kan het aantal van 216 nog wijzigen.

Van de locatie tussen de Servaes Noutsstraat, de Willibrordusstraat en de Ceintuurbaan, is een schetsontwerp gemaakt en zijn de volgende aspecten door middel van verkennende onderzoeken onderzocht op haalbaarheid:

  • d. Geotechnisch
  • e. Hydrologisch
  • f. Milieu hygiënisch
  • g. Archeologisch
  • h. Flora & Fauna
  • i. Verkeerskundig
  • j. Parkeerkundig
  • k. Luchtkwaliteit

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0043.jpg"

Afbeelding 40: locatie Willibrordusgarage

Voor de locatie wordt in de komende maanden een referentieontwerp gemaakt en worden onderzoeken opnieuw uitgevoerd, alleen nu met actuelere meetgegevens en een hoger detailniveau. Dit wordt gedaan naar aanleiding van het besluit van de gemeenteraad d.d. 14 juli 2016 om de mogelijkheden voor de parkeergarage onder het plein nader te onderzoeken. Naar verwachting wordt dit dossier medio 2017 ter besluitvorming voorgelegd aan de gemeenteraad en pas dan wordt besloten of de garage wel of niet wordt gebouwd.

Waar de lift- en trappenhuisjes het best kunnen komen wordt in de komende maanden onderzocht en indien technisch mogelijk mede bepaald in samenspraak met de buurt. Het uitgangspunt is dat de garage in twee of drie lagen wordt uitgevoerd en dit betekent dat de laagste vloer op ongeveer 9 of 12 meter diep ligt. Daarnaast is het uitgangspunt dat er een grondpakket van 1,5 meter op het dak van de parkeergarage komt. Dit biedt voldoende mogelijkheden om hier speel- en groenvoorzieningen te realiseren op het nieuwe plein. De openbare ruimte die thans aanwezig is, zal na de oplevering van de garage opnieuw worden ingericht. Hiervoor is aan de buurt gevraagd een bijdrage te leveren, waarbij de gewenste functionaliteiten op het plein richting gevend zijn in het uitgangspunten en ontwerp van de parkeergarage, binnen de randvoorwaarden en maatregelen die volgen uit de onderzoeken.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

In dit hoofdstuk worden de relevante beleidskaders beschreven voor de ontwikkelingen die in het bestemmingsplan worden gefaciliteerd.

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Europese kaderrichtlijn Water

Sinds 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water van kracht. Op grond hiervan moet in 2015 een goede (grond)waterstand zijn gerealiseerd. De kaderrichtlijn is op nationaal niveau vertaald in wetgeving, met name de Waterwet, maar er is ook doorwerking in de ruimtelijke ordening. Bij ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen, moet in het kader van de goede ruimtelijke ordening ondermeer worden beoordeeld of de gewenste watertoestand in gevaar wordt gebracht. Als nieuwe bestemmingen negatieve gevolgen kunnen hebben voor de watertoestand zijn maatregelen nodig. Ruimtelijke besluiten moeten worden voorafgegaan door een watertoets. Doel van deze watertoets is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een zo evenwichtig mogelijke wijze in beschouwing worden genomen bij het te nemen ruimtelijk besluit. Het verband tussen de Kaderrichtlijn Water en ruimtelijke plannen is bij uitstek onderwerp van de watertoetsprocedure.

4.1.2 Structuurvise Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. In de structuurvisie is aangegeven dat het Rijk drie hoofddoelen heeft:

  • a. het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • b. het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • c. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Uit deze drie hoofddoelen komen onderwerpen voort die van nationaal belang zijn. Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, worden daarom geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Deze Amvb is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf.

4.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van onderwerpen van nationaal belang, zoals Rijksvaarwegen, kustfundament, de Waddenzee, buisleidingen van nationaal belang en de Ecologische hoofdstructuur. Geen van de in het Barro geregelde onderwerpen zijn van toepassing op het voorliggende bestemmingsplangebied.

4.1.4 Besluit ruimtelijke ordening: duurzame verstedelijking

Per 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) op enkele onderdelen gewijzigd. In artikel 3.1.6, lid 2 Bro is nu voorgeschreven dat indien bij een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, in de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording daarvan moet plaatsvinden.

Artikel 3.1.6, lid 2 Bro luidt:

“De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  • c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.”

De voorgaande systematiek is niet nieuw en werd voorheen de SER-ladder genoemd. Het Rijk adviseerde dit afwegingskader al op enkele beleidsterreinen zoals bij bedrijventerreinen. De SER-ladder is ook in enkele beleidsregels overgenomen. Nu wordt deze systematiek algemeen voorgeschreven bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen en deze wordt ook wel de 'ladder voor duurzame verstedelijking' genoemd. In de hierna volgende hoofdstukken alsmede uit de daarin (mede) aan de orde komende vastgestelde beleidskaders, is bovengenoemde onderbouwing opgenomen.

4.1.5 (ontwerp) Omgevingswet

De komst van de Omgevingswet betekent dat er veel verandert. De wet bundelt bijvoorbeeld 26 bestaande wetten voor onder meer bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. Met de nieuwe Omgevingswet wil het kabinet:

  • de verschillende plannen voor ruimtelijke ordening, milieu en natuur beter op elkaar afstemmen;
  • duurzame projecten (zoals windmolenparken) stimuleren;
  • gemeenten, provincies en waterschappen meer ruimte geven. Zo kunnen zij hun omgevingsbeleid afstemmen op hun eigen behoeften en doelstellingen.

Verder biedt de wet meer ruimte voor particuliere ideeën. Dit komt doordat er meer algemene regels gelden, in plaats van gedetailleerde vergunningen.

Er zal met de Omgevingswet niet meer gesproken worden over een "goede ruimtelijke ordening", maar is de overheid verantwoordelijk voor de "zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving". Deze horizonverbreding maakt het mogelijk om meerdere aspecten die behoren tot de leefomgeving te betrekken bij de overweging om medewerking te verlenen aan een initiatief, dan alleen de criteria van een goede ruimtelijke ordening.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0044.png"

Afbeelding 41: schematische weergave werking Omgevingswet (bron: www.rijksoverheid.nl)

De Omgevingswet wordt verder uitgewerkt in vier besluiten: het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. De Omgevingswet zal begin 2019 inwerking treden. Het bestemmingsplan zal vervangen worden door een omgevingsplan voor de gehele gemeente. Er zal een overgangstermijn worden opgenomen in de invoeringswet Omgevingswet, welke gemeentes tijd zal geven om de bestaande bestemmingsplannen te integreren in dat omgevingsplan. Op het moment dat dit bestemmingsplan inwerkingtreedt, is dit proces nog onvoldoende gevorderd om in het kader van dit bestemmingsplan er rekening mee te houden.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Provinciale Structuurvisie en Provinciale Ruimtelijke Verordening

Op 21 juni 2010 hebben provinciale staten de Provinciale Structuurvisie Noord-Holland 2040 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (PRVS) vastgesteld. In de Structuurvisie heeft de provincie haar ruimtelijke toekomstvisie vastgelegd en aangegeven hoe zij deze visie denkt te realiseren. Op 3 november 2010 is de Provinciale Structuurvisie Noord-Holland 2040 in werking getreden. In de Structuurvisie heeft de provincie haar ruimtelijke toekomstvisie vastgelegd en aangegeven hoe zij deze visie denkt te realiseren.

Uitgangspunt is dat Noord-Holland aantrekkelijk moet blijven in wat het is: een diverse, internationaal concurrerende regio, in contact met het water en uitgaande van de kracht van het landschap. De provincie kiest daarbij voor hoogstedelijke milieus en beperkte uitleg van bedrijventerreinen en houdt het landelijk gebied open en dichtbij. Verder worden de waterkeringen versterkt en calamiteitenbergingen aangelegd om wateroverlast te voorkomen. Door het landelijk gebied te ontwikkelen vanuit de kenmerken van Noord- Hollandse landschappen en de bodemfysieke kwaliteiten blijft de provincie bijzonder en aantrekkelijk om in te wonen, te werken en om te bezoeken.

In de structuurvisie worden drie hoofdbelangen benoemd:

  • 1. Klimaatbestendigheid: voldoende bescherming tegen overstroming en wateroverlast, voldoende en schoon drink-,grond- en oppervlaktewater en voldoende ruimte voor het opwekken van duurzame energie;
  • 2. Ruimtelijke kwaliteit: behoud en ontwikkeling van Noord-Hollandse cultuurlandschappen, natuurlandschappen en groen om de stad;
  • 3. Duurzaam ruimtegebruik: milieukwaliteiten, behoud en ontwikkeling van verkeers- en vervoersnetwerken, voldoende en op de behoefte aansluitende huisvesting, voldoende en gedifferentieerde ruimte voor landbouw en visserij, economische activiteiten en voor recreatieve en toeristische voorzieningen.

Tegelijkertijd met de structuurvisie is de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (PRVS) in werking getreden (november 2010). In februari 2014 is het PRVS opnieuw vastgesteld.

De Verordening bevat algemene regels omtrent de inhoud van gemeentelijke bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen. Met het inwerking treden van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening is het streekplan als beleidsdocument en de goedkeuringsvereiste voor gemeentelijke bestemmingsplannen komen te vervallen. Voor het streekplan is de structuurvisie in de plaats gekomen, echter deze is uitsluitend zelfbindend voor de provincie. Voor de doorwerking van het in de structuurvisie vastgelegde beleid naar gemeenten toe, heeft de provincie de beschikking gekregen over de zogenaamde provinciale verordening. Deze verordening is het aangewezen instrument als het gaat om algemene regels omtrent de inhoud van gemeentelijke bestemmingsplannen of projectbesluiten. Wel zal hierin duidelijk het provinciaal belang naar voren moeten komen. Het uitgangspunt daarbij is dat de bevoegdheden ter doorwerking van het ruimtelijk beleid zoveel mogelijk proactief worden ingezet en het provinciale beleid daarbij zoveel mogelijk eenduidig wordt geregeld.

Het plangebied van dit bestemmingsplan is geheel aangewezen als 'bestaand gebouwd gebied'. De regels die hiervoor gelden hebben betrekking op ontwikkelingen die in dit plangebied niet spelen. Zo zijn er geen bedrijventerreinen die getransformeerd worden en wordt het winkelareaal planologisch niet uitgebreid ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is daarmee in overeenstemming met het provinciale beleidskader.

4.3 Regionaal beleid

4.3.1 Metropoolregio Amsterdam

De Metropoolregio Amsterdam (MRA) is het informele samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in de noordvleugel van de Randstad. Belangrijk kenmerk van de metropoolsamenwerking vormt het feit dat dit gebeurt op vrijwillige basis. De democratische legitimatie van besluiten vindt plaats in de Staten en Raden van de aangesloten en provincies en gemeenten.

Het versterken van de concurrentiepositie, nationaal en internationaal, vormt de rode draad binnen de metropoolsamenwerking. Om in de Europese top mee te kunnen blijven spelen, is de gezamenlijke ambitie gericht op het creëren van een hoogwaardig, veilig en duurzaam leef- en woonmilieu voor bedrijven, bewoners en bezoekers, nu en straks. Door in te zetten op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden die omringd worden door recreatief groen moet het vestigingsklimaat aantrekkelijk blijven.

Op het gebied van ruimtelijke ordening, verkeer en economie vindt de bestuurlijke coördinatie plaats door drie Platforms:Platform Ruimtelijke Ordening (PRO), Platform Bereikbaarheid Metropoolregio Amsterdam (PBM) en Platform Regionaal Economische Structuur (PRES). De samenwerking in metropoolverband levert de regio bovendien structureel meer kracht en zeggenschap op richting het Rijk.

Naast bovengenoemde platforms is ook het Platform Bedrijven en Kantoren (Plabeka), opgericht in 2005, actief. In dit regionale samenwerkingsverband stemmen de provincies Noord-Holland en Flevoland samen met de Stadsregio Amsterdam en de gemeenten vraag en aanbod van bedrijfslocaties zo goed mogelijk op elkaar af. In Plabeka vindt de regionale afstemming plaats over de kwantiteit en kwaliteit van werklocaties. Het doel van Plabeka luidt als volgt: Het creëren van voldoende ruimte en kwaliteit van werk locaties (kantoren, bedrijventerreinen, zeehaventerreinen) voor een evenwichtige economische ontwikkeling om daarmee een bijdrage te leveren aan de versterk ing van de (internationale) concurrentiepositie van de Metropoolregio en het verbeteren van het regionale vestigingsklimaat voor het bedrijfsleven.

4.3.2 Stadsregio Amsterdam

De Stadsregio Amsterdam is een samenwerkingsverband van zestien gemeenten. De stadsregio werkt onder meer aan verbetering van de bereikbaarheid, de leefbaarheid en de economische ontwikkeling.

4.3.2.1 Detailhandelsbeleid Stadsregio Amsterdam

Het regionale detailhandelsbeleid (vastgesteld door de Regioraad op 15 maart 2016) kent de volgende uitgangspunten:

  • 1. Inwoners van de Stadsregio Amsterdam moeten op aanvaardbare afstand hun (dagelijkse) boodschappen kunnen doen (fijnmazige detailhandelsstructuur).
  • 2. Het beleid is er op gericht om vraag en aanbod in evenwicht te brengen in de (fysieke) retailsector.
  • 3. Detailhandelsvestigingen zijn louter gevestigd in verstedelijkt of nog te ver-stedelijken gebied: passend in de structuur van de hoofdwinkel-, stadsdeel- of wijkcentra, alsook op specifiek benoemde locaties op bedrijventerreinen. Solitaire vestigingen buiten en binnen woongebieden zijn uitgesloten.
  • 4. Nieuwe ontwikkelingen moeten de huidige structuur versterken; nieuwe ontwikkelingen die uitbreiding van het ruimtegebruik vergen, zijn alleen mogelijk als de ontwikkeling niet op een bestaande winkellocatie mogelijk is; nieuwe ontwikkelingen moet duidelijk zijn wat de impact op de lokale en regionale winkelstructuur is.
  • 5. Clustering van detailhandel is een leidend principe, al dan niet met andere commerciële en/of maatschappelijke voorzieningen.
  • 6. Gemeenten streven ernaar om leegstand zoveel als mogelijk te voorkomen. Nieuwe initiatieven worden daarom altijd bekeken en beoordeeld vanuit het principe 'nieuw voor oud'. Dat wil zeggen dat eventuele nieuwe initiatieven en uitbreiding van bestaand winkelareaal gepaard gaan met maatregelen om de bestemming detailhandel elders te beperken. Door pro-actief beleid werken gemeenten aan voorzienbaarheid, zodat planschade voorkomen kan worden bij het daadwerkelijk verminderen van het aantal m2 detailhandel.
  • 7. Gemeenten moeten (ook in het kader van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking) goed beschrijven wat de regionale behoefte is van de winkel-plannen die voorzien zijn.
  • 8. Gemeenten kunnen via het bestemmingsplan aanvullende eisen voor branchering stellen. Dit dient op ruimtelijke aspecten gebaseerd te zijn.
  • 9. Alleen op bepaalde reeds als zodanig aangemerkte locaties (Amstelveen: Bovenkerkerhoek; Haarlemmermeer: Cruquius; Amsterdam: GDV-zone Arenagebied, Spaklerweg, Schinkel, Landlust, Keurenplein en Van Slingeland- straat / Bedrijventerrein Westerkwartier) is - indien passend binnen het vigerende bestemmingsplan - grootschalige detailhandel (GDV) toegestaan. Dat wil zeggen winkels van meer dan 1500m2 wvo zonder brancheringseisen (uitgezonderd dagelijkse goederen, te weten levensmiddelen en persoonlijke verzorging). Een gemeente kan een verzoek indienen om grootschalige detail-handel toe te staan op een van bovenstaande PDV-locaties die niet past in het vigerende bestemmingsplan. In dat geval is een uitvoerige onderbouwing van het verzoek op ruimtelijk relevante gronden vereist, evenals een analyse van de gevolgen van de verruiming voor de regionale detailhandelsstructuur. De ADZ toets zo'n verzoek tot verruiming aan het provinciale en regionale beleid.
  • 10. Naast de PDV-locaties waar GDV mogelijk is (zie uitgangspunt 9 en § 4.3), zijn er de traditionele PDV-locaties, waar louter de PDV-branches zijn en blijven toegestaan. Brancheverruiming is op deze locaties op grond van het provinciale beleid niet toegestaan.
  • 11. Op basis van de uitkomsten van het in 2016/2017 uit te voeren Koopstromen-onderzoek en het Marktruimteonderzoek, zal onderzocht worden of de locaties waar nu GDV mogelijk is, gehandhaafd moeten blijven of dat er aanpassingen nodig of mogelijk zijn in aantal, omvang of locatie. Dit onderzoek zal bij voorkeur plaatsvinden op de schaal van de Metropoolregio Amsterdam.
  • 12. Nieuwe perifere detailhandelslocaties worden in beginsel niet toegestaan.
  • 13. Conform het provinciaal beleid zijn internetafhaalpunten alléén op bedrijven-terreinen toegestaan als deze afhaalpunten géén winkel- en géén uitstal-functie hebben. Bij voorkeur worden afhaalpunten in bestaande winkel-gebieden gesitueerd.
  • 14. Indien er een bestemmingsplanwijziging nodig is bij nieuwe winkelinitiatieven moet iedere gemeente dit initiatief voorleggen aan de Adviescommissie Detailhandel Noord-Holland Zuid (ADZ). Dit geldt voor alle initiatieven boven de 1500m2 wvo. Bij winkelcentra van meer dan 25.000m2 wvo (Hoofddorp, Amstelveen, Purmerend, Zaanstad en Amsterdam, plus in Amsterdam het Buikslotermeerplein en de Amsterdamse Poort) geldt dit voor initiatieven van meer dan 3000m2 wvo. Deze grenzen gelden voor het totale winkelgebied en niet per winkel.29
  • 15. Iedere gemeente legt de lokale detailhandelsstructuur in ruimtelijke termen vast in de gemeentelijke structuurvisie of in een gemeentelijke detailhandels-visie. Deze visie past binnen het regionale detailhandelsbeleid en binnen het kader dat is vastgesteld in het provinciale detailhandelsbeleid uit 2014.

Het bestemmingsplan voldoet aan deze uitgangspunten.

4.3.3 Regionale hotelstrategie

De Regionale hotelstrategie 2016-2022 (vastgesteld op 27 november 2013) voorziet in een afwegingskader voor nieuwe hotelinitiatieven, nadat bleek dat het de hotelmarkt qua hoeveelheid hotelkamers nagenoeg verzadigd is.

Het afwegingskader voor nieuwe hotelinitiatieven bestaat uit drie delen:

  • 1. Regionale beleidsuitgangspunten Wat we met het beleid willen bereiken is het juiste hotel op de juiste plek. Dit betreft onder meer het voorkomen van een discrepantie tussen vraag en aanbod, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin. In de afzonderlijke beleidsplannen van de MRA gemeentes kunnen de (kwalitatieve) wensen die de MRA heeft ten aanzien van de nog te realiseren hotels worden vastgelegd. Hier zal onder meer ingegaan worden op de gewenste spreiding, de gewenste uniciteit van de nog te realiseren hotels en de voorkeur voor transformatie boven nieuwbouw in het kader van duurzame verstedelijking.
  • 2. Hotelladder MRA Instrument voor gemeenten en marktpartijen om (snel en praktisch) nieuwe initiatieven aan te toetsen. De ladder is een vertaling van de beleidsuitgangspunten en de kansenkaart naar een voor iedereen bruikbaar instrument.
  • 3. Kansenkaart De hotelladder verwijst naar een kansenkaart (zie uitsnede hieronder). Op deze kaart wordt aangegeven waar volgens de MRA de beste kansen voor extra hotels liggen en – indien gewenst - voor welke doelgroep deze het meest geschikt zijn. Daarmee wordt ook zichtbaar waar de MRA het minder wenselijk vindt om nieuwe hotel initiatieven te realiseren (dit geldt met name voor Amsterdam/Haarlemmermeer).

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0045.png"

Afbeelding 42 Uitsnede kansenkaart regionale hotelstrategie

De Pijp wordt niet gezien als een gebied waar de beste kansen voor extra hotels liggen. Het bestemmingsplan voorziet dan ook uitsluitend in het bestemmen van bestaande hotels en is daarmee in overeenstemming met de regionale hotelstrategie.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Structuurvisie Amsterdam 2040 'Economisch sterk en Duurzaam'

Met de Structuurvisie Amsterdam 2040 'Economisch sterk en Duurzaam' (17 februari 2011) legt Amsterdam zichzelf, inclusief de stadsdelen, regels op waar ruimtelijke plannen aan moeten voldoen. Amsterdam heeft zichzelf onder meer voor de opgave gesteld te verdichten en tegelijk het omliggende landschap open te houden. Dat leidt tot belangrijke uitgangspunten: het groen in en rond de stad vraagt om stevige bescherming, terwijl andere delen van de stad optimaal worden benut. Verdichting leidt ook tot (geleidelijke) transformatie en toenemende menging. Dat vergt veel van de bestaande infrastructuur en openbare ruimte. Respect voor de rijkdom aan cultuurhistorische schatten van Amsterdam is hierbij een belangrijke voorwaarde.

De centrale ambitie van de Structuurvisie is dat Amsterdam zich verder ontwikkelt als kernstad van een internationaal concurrerende, duurzame, Europese metropool. Intensivering van het grondgebruik in de stad biedt aan tal van mensen woon- en werkruimte. Het betekent extra draagvlak voor voorzieningen, extra investeringen in de openbare ruimte en in recreatief gebruik van water en groen en efficiënter omgaan met energie en vervoer, zodat buiten de stad minder landschap hoeft te worden aangetast. De ambitie is om 70.000 woningen en bijbehorende voorzieningen toe te voegen tot 2040, een intensiever gebruik van de haven en huidige bedrijventerreinen te realiseren en ruimte te maken voor waterberging.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0046.png"

Afbeelding 42: Uitsnede Totaalkaart Structuurvisie Amsterdam 2040

In de structuurvisie zijn voor de Pijp de volgende onderwerpen relevant:

Uitrol centrummilieu: kwaliteitsimpulsen stadsstraten. In afbeelding 42 is te zien dat voor het zuidelijke deel van de Ferdinand Bolstraat en de Ruysdaelkade ter hoogte van het Carel Willinkplantsoen (in het verlengde van de Hobbemstraat) gedacht wordt aan het geven van een kwaliteitsimpuls aan de stadsstraat.

Stadsstraten en -pleinen zijn in het algemeen de ruimere, drukkere straten en pleinen in of tussen buurten. Het zijn de stedelijke openbare ontmoetings- en uitwisselingsruimtes bij uitstek. Het zijn visitekaartjes van de stad. Ze hebben nagenoeg altijd een belangrijke winkel- of horecafunctie. Meestal hebben ze een belangrijke verkeersgeleidende functie.

Voor de Ferdinand Bolstraat geldt dat dit reeds een stadsstraat is, voor de Ruysdaelkade geldt dat dit zich thans manifesteert als woonstraat. Het verlengen van de Hobbemstraat richting de Ruysdaelkade/Stadhouderskade zal pas echt kunnen plaatsvinden als ter hoogte van deze twee straten een brug over de Boerenwetering wordt gelegd. Momenteel zijn nog geen concrete stappen ondernomen om deze brug te realiseren. De transitie die de Ruysdealkade hier zou kunnen doormaken tot stadsstraat, zal dan ook om dit bestemmingsplan niet tot uiting komen. In het zuidelijke deel van de Ferdinand Bolstraat wordt aan de kwaliteitsimpuls gevolg gegeven, door niet veel te veranderen aan de reeds ruime regeling voor het realiseren van detailhandel en horeca, daar waar in het noordelijke deel meer beperkingen worden opgelegd.

Hoofdgroenstructuur: De Hoofdgroenstructuur omvat de minimaal benodigde hoeveelheid groen die Amsterdam wil borgen, bestaande uit gebieden die waardevol zijn voor de stad en de metropool, omdat zij een onmisbare functie vervullen voor groene recreatie, verbetering leefklimaat, waterhuishouding, hittedemping, verbetering luchtkwaliteit, biodiversiteit en voedselproductie. Behoud van cultuurhistorische waarden en een gevarieerd totaalaanbod aan groen zijn belangrijke aspecten.

In de Hoofdgroenstructuur zijn die gebieden opgenomen waar de functies groen en groene recreatie voorop staan. Uit afbeeldingen 42 en 43 blijkt dat het Sarphatipark als geheel is opgenomen in de hoofdgroenstructuur en valt onder groentype "Stadspark".

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0047.jpg"

Afbeelding 43: Uitsnede structuurvisiekaart Hoofdgroenstructuur: groentypen

In het Instrumentarium bij de Structuurvisie staat het volgende aangegeven voor stadsparken:

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0048.png"

Afbeelding 44: gebruiksmogelijkheden stadsparken volgens Structuurvisie Amsterdam 2040

Uit het bovenstaande blijkt dat het belangrijk is dat het groen behouden blijft, goed beheerd wordt en er weinig voorzieningen worden gerealiseerd. Als harde eis is aangegeven dat niet meer dan 5% van het park wordt verhard. Het park, dat 4,2 hectare groot is, kan derhalve maximaal voor 2.100 m2 verhard worden. Op dit moment is ongeveer 5.400 m2 verhard, wat betekent dat het maximum verhardingspercentage reeds wordt overschreden. In de regels is de toename van verharding afhankelijk gesteld van een advies van de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Structuurvisie Amsterdam 2040.

4.4.2 Uitwerkingen Structuurvisie Amsterdam 2040
4.4.2.1 Detailhandelsbeleid: Amsterdam winkelstad, een kwaliteit aan winkelgebieden

De hoofddoelstellingen van het ruimtelijke detailhandelsbeleid voor de periode 2011- 2015 zijn samengevat:

  • Het versterken en borgen van het gevarieerde winkelmilieu van Amsterdam.
  • Het versterken en borgen van de fijnmazige structuur van winkelgebieden met aanbod in dagelijkse artikelen.

Beide doelstellingen vergroten de kwaliteit aan winkelgebieden in Amsterdam. Amsterdam is van mening dat deze doelstellingen de beste garantie bieden om de werkgelegenheid in de detailhandel te behouden en te vergroten. Voor (meer) bewoners en bezoekers wordt Amsterdam als winkelstad gevarieerder en daarmee aantrekkelijker en voor Amsterdammers blijven de winkels ook op korte afstand toegankelijk. En meer bewoners en bezoekers vergroten de kans op meer werkgelegenheid.

Deze hoofddoelstellingen worden uitgewerkt aan de hand van 9 beleidsdoelstellingen:

  • 1. Winkelinitiatieven worden bij voorkeur gefaciliteerd in of aansluitend op de bestaande winkelgebieden;
  • 2. Meer grotere winkelunits in sommige winkelgebieden
  • 3. Uitbreiding winkeloppervlak in sommige gebieden (met name Centrum, Zuid en Zuidoost)
  • 4. Hanteren van 'Nieuw voor oud' principe in sommige gebieden (met name West, Oost, Noord, Nieuw-West en Westpoort)
  • 5. Accommodatieteam als gemeentelijk aanspreekpunt voor retailers
  • 6. Vergroting organisatiegraad van ondernemers
  • 7. Verruiming bestemmingsplannen in sommige gebieden in potentiële stadsstraten
  • 8. Vasthouden aan terughoudendheid van brancheverruiming in perifere winkelgebieden
  • 9. Afhaalpunten ten behoeve van internetverkoop op bedrijventerreinen zijn logistieke bedrijven en geen (verkapte) winkels. Afhaalpunten van internetwinkels kunnen overigens naast hun logistieke functie wel een winkelfunctie vervullen, indien ze gevestigd zijn in bestaande winkelgebieden.

Bij enkele bleidsdoelstellingen wordt aangegeven dat dit ook voor Zuid speelt. Zo wordt aangegeven dat winkelinitiatieven bij voorkeur worden gefaciliteerd in of aansluitend op de Albert Cuypstraat en de Van Woustraat en dat hier nog uitbreiding van winkeloppervlak mogelijk wordt geacht. Voor grotere winkelunits wordt gedacht aan de P.C. Hooftstraat en de Zuidas. Kenmerkend voor de binnenstad (maar ook in delen van Zuid) is dat er weliswaar veel winkels zijn, maar dat ze overwegend klein van omvang zijn. Grotere winkelunits zijn echter mede vanwege het historische karakter lastig realiseerbaar. Het is van belang -wanneer Amsterdam de positie van de binnenstad op retailgebied wil behouden en versterken- Amsterdam alert blijft op mogelijkheden voor ook grotere vestigingen zonder het belang van kleinere winkels uit het oog te verliezen. De historische omgeving is van evidente waarde.

Het bestemmingsplan sluit aan op deze detailhandelsvisie.

4.4.2.2 Ecologische visie: Ecologie, biodiversiteit en groene verbindingen in Amsterdam

Wat betreft het beheer van groengebieden staan er in deze notitie twee beleidsuitspraken:

  • 1. Het beheer van de groenstroken in de ecologische structuur van Amsterdam dient zo natuurvriendelijk mogelijk te zijn, gericht op verscheidenheid aan vegetatie en het bieden van voldoende dekking.
  • 2. Chemische bestrijdingsmiddelen mogen in de ecologische structuur van Amsterdam niet worden gebruikt.

In de ecologische visie wordt een nieuwe ecologische structuur voorgesteld en worden de knelpunten genoemd die voor het realiseren van deze structuur opgelost dienen te worden. In de visiekaart worden deze structuur en knelpunten aangegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0049.jpg"

Afbeelding 44: uitsnede visiekaart Ecologische visie

Uit de visiekaart blijkt dat er voor de Pijp geen ecologische structuur is bedacht en er tevens geen knelpunten zijn. Het bestemmingsplan is daarmee in overeenstemming met deze visie.

4.4.2.3 Hoogbouw in Amsterdam

Amsterdam streeft naar een economisch sterke en duurzaam ingerichte stad. Daarbij vormt het intensiever gebruik van de bestaande stad en tegelijk het open houden van het landschap één van de doelen. Intensivering van het grondgebruik in de stad biedt tal van mensen woon- en werkruimte in Amsterdam. Het brengt een forse toename van het aantal woningen en bijbehorende voorzieningen met zich mee, intensiever gebruik van de werkgebieden en een grotere mix van wonen en werken. Het noodzaakt tot extra investeringen in de openbare ruimte, en tot efficiënter omgaan met energie en vervoer. Verdichting is een belangrijke opgave, voor de hele stad en voor bepaalde gebieden in het bijzonder. Hoogbouw is daarin niet het enige, maar wel een geschikt middel. Het is bovendien een krachtig stedenbouwkundig instrument. Afhankelijk van de positionering van hoogbouw kan deze bijdragen aan de kwaliteit van de stad als metropool.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0050.png"

Afbeelding 45: kaart Hoogbouw in Amsterdam.

In de kaart Hoogbouw in Amsterdam wordt aangegeven waar hoogbouw mogelijk wordt geacht. De Pijp is gelegen in de 2 km zone rondom Unesco gebied. Deze twee kilometer wordt aangehouden als grens, waarvan zeker is dat een gebouw van 60 meter hoogte geen nadelig effect heeft op de cultuurhistorische waarde van de binnenstad. Hoogbouw is hier alleen toegestaan als ondermeer is voldaan aan het zichtbaarheidscriterium: In deze zone geldt de zichtbaarheid van hoogbouw vanuit het UNESCO-gebied van de Rembrandttoren op 2 kilometer afstand van dat gebied als bovensgrens voor de toelaatbare hoogte.

In het bestemmingsplan De Pijp 2018 wordt uitsluitend bestaande hoogbouw toegelaten. Hiermee blijft het mogelijk om het zichtbaarheidscriterium voor nieuwe hoogbouw toe passen in het kader van het afwijken van het bestemmingsplan en is het bestemmingsplan in overeenstemming met de Hoogbouwvisie.

4.4.2.4 Kantorenstrategie

De kantorenstrategie geeft richting aan de rol van de gemeente op de kantorenmarkt om de leegstand terug te brengen tot een acceptabel niveau en de toenemende verversing en de geringe uitbreiding van de kantorenvoorraad vorm te geven. De gemeente wil hiermee bijdragen aan het herstellen van het evenwicht op de kantorenmarkt op termijn. De kantorenstrategie richt zich niet alleen op de planvoorraad, maar vooral ook op de bestaande voorraad. Op stedelijk en projectniveau worden maatregelen en kaders benoemd die bijdragen aan:

  • 1. het stimuleren en faciliteren van herontwikkeling om de kwaliteit van de bruikbare kantorenvoorraad op peil te houden,
  • 2. het stimuleren en faciliteren van transformatie en sloop van in onbruik geraakte kantoren om de omvang van de bestaande kantorenvoorraad te verkleinen en
  • 3. de reductie en temporisering van de planvoorraad voor nieuwbouw in overeenstemming met de lagere toekomstige ruimtebehoefte.

Per saldo zal hierdoor de totale kantorenvoorraad in omvang af dienen te nemen en er weer zicht komen op een 'normaal' leegstandspercentage. Het doel is een continue toekomstbestendige kantorenvoorraad die voldoende ruimte beidt aan de uiteenlopende vraag van huidige en potentiële kantoorondernemingen.

Bij het bepalen van een passende ontwikkelstrategie per locatie (bestaande locaties en plannen) zijn - naast de al bestaande onderverdeling in segmenten- alle kantorenlocaties onderverdeeld in vier groepen. Voor de locaties binnen een groep geldt een vergelijkbaar handelingsperspectief. De vier hoofdgroepen zijn:

  • 1. Krimpgebieden, waar de bestaande kantorenvoorraad per saldo moet krimpen en het accent primair ligt op onttrekking van incourante kantoren door transformatie en sloop en secundair op herontwikkeling van de bestaande voorraad.
  • 2. Balansgebieden, waar de bestaande kantorenvoorraad per saldo gelijk mag blijven en enkel ruimte is voor het toevoegen van kantoren, nadat kantoorruimte aan de bestaande voorraad is onttrokken. Het accent ligt op primair herontwikkeling van debestaande voorraad en secundair op onttrekking van incourante kantoren doortransformatie en sloop.
  • 3. Beperkte groeigebieden, waar beperkt ruimte geboden wordt voor het toevoegen van kantoren en herontwikkeling van de bestaande voorraad van belang is.
  • 4. Groeigebieden, waar ruimte geboden wordt voor het toevoegen van kantoren aan de bestaande kantorenvoorraad.

De Pijp is in de Kantorenstrategie niet gevat in een van deze categorieën. Het gebied kenmerkt zich voornamelijk als woon- en winkelgebied. Er zijn weinig grote kantoorgebouwen aanwezig, waardoor er geen sprake is van een transformatieopgave. Het bestemmingsplan behoeft dan ook niet te voorzien in maatregelen om de balans te houden, groei te stimuleren of krimp te bewerkstelligen. Het bestemmingsplan is dan ook in overeenstemming met de kantorenstrategie.

4.4.2.5 Mobiliteitsaanpak: Amsterdam aantrekkelijk bereikbaar

Amsterdam staat de komende jaren voor een forse uitdaging. Meer bewoners, banen en bezoekers leiden tot een verdere groei van de mobiliteit in en rond Amsterdam en tot een grotere druk op de kostbare openbare ruimte. De komende jaren is echter minder geld beschikbaar om te investeren in mobiliteit. Daarnaast is de beschikbare openbare ruimte in de (binnenstad van) Amsterdam een schaars goed.
De vraag is dan hoe Amsterdam met minder middelen, in beperkte ruimte oplossingen kan vinden voor de groeiende mobiliteitsvraag. In de MobiliteitsAanpak bestaat het antwoord hierop uit het voorrang geven aan kostenefficiënte en ruimtebesparende vervoerwijzen en uit het beter benutten van de bestaande capaciteit. Concreet komt dit neer op de volgende keuzes:

  • 1. Differentiatie naar afstanden
  • 2. Ruimte beter benutten
  • 3. Heldere prioriteiten
  • 4. Inspelen op toekomstige ontwikkelingen

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0051.png"

Afbeelding 46 Kaart mobiliteitsprofielen

In de Mobiliteitsaanpak is de Noord-Pijp aangewezen als Centrumgebied en ten zuiden van de Ceintuurbaan als gebied Binnen en rond de ring. In het centrumgebied ligt door de toenemende drukte en de ontwikkeling naar de consumptieve economie de prioriteit bij het bieden van voldoende en aantrekkelijk ingerichte openbare ruimte voor voetgangers, fietsers en kleine, schone voertuigen. De snelheden liggen hier relatief laag en grote voertuigen als vrachtauto's (gedurende de venstertijden), bussen en trams zijn hier te gast. Het mengen van verkeersstromen, met een lage maximum snelheid, ligt hier voor de hand. Trein en metro zorgen in het centrumgebied voor een efficiënte aan- en afvoer van grote stromen reizigers. De tram krijgt met de komst van de Noord/Zuidlijn een andere, meer ontsluitende rol in de binnenstad, maar moet wel betrouwbaarder worden. De auto wordt meer in inpandige parkeervoorzieningen, of op afstand (P+R) geparkeerd, waarbij op basis van tijdige en actuele informatievoorziening het zoekverkeer vermindert. Op de drukste locaties worden fietsvoorzieningen intensiever benut omdat er geen plekken worden ingenomen door lang geparkeerde fietsen.

In het gebied Binnen en rond de ring ligt de prioriteit bij een betere balans tussen de ruimte voor de fietser, voetganger en verblijven enerzijds en ruimte voor de auto en het OV anderzijds. De geparkeerde auto zal in stadsstraten vaker plaats moeten maken voor andere functies.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0052.png"

Afbeelding 47 Hoofdlijnen van de gebiedsgerichte aanpak in het centrum en binnen de ring

In het bestemmingsplan wordt hieraan invulling gegeven door aan te sluiten bij het parkeerbeleid, dat op grond van de Mobiliteitsaanpak normen heeft geformuleerd voor het parkeren op eigen terrein. In het bestemmingsplan wordt verwezen naar de beleidsregels die in het beleid zijn opgenomen. Het bestemmingsplan voldoet hiermee aan de Mobiliteitsaanpak. Tevens wordt in dit bestemmingsplan de parkeergarage onder het plein bij de Sint Willibrordusstraat planologisch mogelijk gemaakt. Zie hiervoor paragraaf 3.4 Ontwikkeling: Parkeergarage Willibrordusterrein.

4.4.2.6 Watervisie Amsterdam 2040: Het water in Amsterdam is voor iedereen

De waarde van het water voor de stad is al groot. Om de betekenis voor de stad nog meer te vergroten is in de Watervisie de koers uitgezet aan de hand van de volgende hoofdrichtingen:

  • Water toegankelijk en beleefbaar maken & activeren
  • Groei door spreiden van recreatie en toerisme
  • Meer dynamiek in het gebruik van het water
  • Toepassen van economische principes

In de Watervisie wordt de Pijp beschouwd als de stad grenzend aan de binnenstad. Hier wordt voorgesteld om voor recreatie aan het water laagdrempelige mogelijkheden voor beweging en ontspanning in buurten te creëren. Aan de kades van de Boerenwetering, Amstelkanalen, Stadiongracht en de grachten van West komen meer recreatieve zitplekken en nieuwe ligplaatsen voor bemande en onbemande bootverhuur.

In het bestemmingsplan zijn geen wateren opgenomen, anders dan het water in het Sarphatipark. Er hoeven geen regelingen opgenomen te worden om het bestemmingsplan in overeenstemming te laten zijn met de Watervisie. De voorstellen die voor de oevers van de Boerenwetering en het Amstelkanaal worden gedaan, betreffen activiteiten die zonder regeling in het bestemmingsplan of vergunningsvrij plaats kunnen vinden.

4.4.2.7 Windvisie: Ruimte voor windmolens in Amsterdam

In 2040 wil Amsterdam het hart zijn van een duurzame metropoolregio. Een creatieve, diverse stad, die economisch en sociaal sterk is, met een gezond leefmilieu. Zorgvuldig en efficiënt met ruimte, energie en energiebronnen, en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering. Een stad met een skyline waarin wind zorgvuldig is ingepast. Kortom, duurzaam in alle facetten.

In de Windvisie worden 9 zoekgebieden aangewezen waar via het realiseren van windmolens de ambitie van Amsterdam waargemaakt kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0053.png"

Afbeelding 48: Uitsnede structuurvisiekaart windernergie 2040.

Uit de structuurvisiekaart Windenergie 2040 blijkt dat het realiseren van windmolens in de Pijp ruimtelijk niet gewenst is. Het bestemmingsplan hoeft derhalve geen regeling te bevatten voor windenergie en is daarmee in overeenstemming met het beleid.

4.4.2.8 Lokale richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit

Het beschermen van de volksgezondheid vormt een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Amsterdamse luchtkwaliteitsbeleid. Bij de bescherming van gevoelige groepen en gevoelige bestemmingen gaat Nederland verder dan de Europese regelgeving. In het nationale Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit worden extra eisen gesteld met betrekking tot het realiseren van gevoelige bestemmingen binnen 300 meter gemeten van de rand van een snelweg of binnen 50 meter gemeten van de rand van een provinciale weg. Amsterdam heeft een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om het beschermen van gevoelige groepen. De gemeente wil ook in relatie tot ruimtelijke planvorming in de omgeving van het eigen wegennet zorgvuldig met deze groepen omgaan.

De aanpak met betrekking tot gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit is vastgelegd in een Amsterdamse richtlijn. Met deze Amsterdamse richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit is sprake van extra en strengere regelgeving dan Europa voorschrijft, maar de richtlijn heeft een zogenaamde “eerbiedigende werking” en heeft geen gevolgen voor bestaande situaties. Bovendien kan het bestuur (centrale stad of stadsdeel) - In tegenstelling tot de landelijke wetgeving - altijd van een richtlijn afwijken.

In de Richtlijn worden (o.a.) de volgende uitgangspunten opgenomen:

  • Uitgangspunt is dat bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 mvt per etmaal binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing worden geprojecteerd:
  • Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis.
  • De richtlijn heeft in beginsel alleen betrekking op nieuwe situaties. Hierbij moet worden gedacht aan nieuw te bouwen gebouwen bedoeld voor gevoelige bestemmingen als wel om bestaande gebouwen die een functiewijziging ondergaan waardoor het mogelijk wordt om in een bestaand gebouw een (voor die locatie) nieuwe gevoelige bestemming te vestigen.
  • Er zal een kaart worden opgesteld met: a. de zones van rijkswegen en provinciale wegen; b. wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 10.000 mvt per etmaal.
  • Bij het opstellen van bestemmingsplannen zal binnen de zones en eerste lijnsbebouwing in beginsel een bouw- en/of gebruiksverbod voor gevoelige bestemmingen moeten worden opgenomen. Daarbij kan een binnenplanse ontheffingbevoegdheid worden opgenomen voor bijzondere omstandigheden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0054.jpg"

Afbeelding 49: uitsnede kaart richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit Amsterdam

Uit de kaart behorende bij de Richtlijn blijkt dat de eerstelijnsbebouwing van de Stadhouderskade, Amsteldijk, Ruysdaelkade, Ceintuurbaan, Van Woustraat en het zuidelijke deel van de Ferdinand Bolstraat geen nieuwe gevoelige bestemmingen gerealiseerd mogen worden. In het bestemmingsplan is dit in de regels opgenomen. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Richtlijn.

4.4.3 Woonvisie Amsterdam tot 2020, Wonen in de Metropool

In de op 30 oktober 2008 door B&W vastgestelde woonvisie wordt Amsterdam in zijn regionale context bezien, worden de Amsterdamse ambities per woningmarktgebied geanalyseerd, de knelpunten op een rij gezet en worden er keuzes gemaakt. Kern van het Amsterdamse woonbeleid Amsterdam blijft de ongedeelde stad, maar Amsterdam wil ook Topstad, Emancipatiestad, een Betaalbare stad, een Zorgzame Stad en een Duurzamestad zijn. In de woonvisie wordt gezocht naar een balans tussen al deze ambities.

De Pijp maakt deel uit van het gebied dat de Woonvisie kenmerkt als centraal stedelijke zone. De centraal stedelijke zone vormt het sociaal-economisch-cultureel centrum van de Amsterdamse regio. De stijging van de marktwaarde en de vastgoedprijzen zijn hier bovengemiddeld hoog en voor huurwoningen moet men veel woonduurjaren hebben opgebouwd, dit lijkt met de ontwikkeling naar een metropool alleen maar sterker te worden. Met de bouw van de Zuidas krijgt ook Zuid steeds meer de functie van het stadscentrum. Deze en andere ontwikkelingen in de centraal stedelijke zone vormen tegelijkertijd ook een bedreiging voor starters en middengroepen. Het probleem van de gebieden met hoge marktdruk is dat er steeds minder ruimte is voor de middengroepen. Woningen worden verhuurd in het sociale segment óf ze zijn meteen duur in de koop of huur. Er zal daarom meer aanbod in het middensegment gecreëerd moeten worden. Met name de gezinnen met een middeninkomen zijn niet in staat een geschikte woning te vinden in de centraal stedelijke zone.

Dit vraagt om woningen in het middensegment met zekere oppervlakte, betaalbaar en om voorzieningen in de buurt. Dat is vanwege de hoge marktdruk in de centraal stedelijke zone vrijwel niet te realiseren, misschien op Buitenveldert na. Het uitgangspunt wordt daarom bouwen voor stedelijk georiënteerde gezinnen met een hoger inkomen, gezinnen met een middeninkomen kunnen terecht in de zone rond de centraal stedelijke zone: de 19e-eeuwse ring en gordel ’20 en '40.

Gelet op de veranderingen op de woningmarkt die zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan ligt het voor de hand niet alleen in te zetten op grote woningen, maar ook de realisatie van kleinere woningen te faciliteren en met name ook woningen in het middensegment mogelijk te maken. Het bestemmingsplan voorziet daarin.

4.4.4 Beleid short stay

Het Amsterdamse shortstaybeleid is erop gericht om voldoende woningen te bieden aan (voornamelijk buitenlandse) werknemers en Amsterdam zo aantrekkelijk te houden als vestigingslocatie voor bedrijven. Het verblijf van shortstayers in de stad mag echter niet ten koste gaan van de leefbaarheid in de buurt en van het aanbod van goedkope huurwoningen.

Naar aanleiding van de evaluatie van het shortstaybeleid in 2013 is er een nieuwe beleidsnotitie vastgesteld. Op basis daarvan worden geen nieuwe vergunningen meer verleend. Reeds verleende vergunningen lopen door op basis van de bestaande voorwaarden. Het aantal shortstay-appartementen was op 1 januari 2014 ongeveer 800.

Hiermee is het streefgetal uit 2009 bereikt. De effecten van het nieuwe beleid worden in 2017 geëvalueerd. Voor shortstayvergunningen die voor 14 januari 2014 zijn verstrekt blijft de beleidsnotitie shortstay 2012 van kracht. Samenvattend kiest het college voor het volgende:

  • Er komt een pas op de plaats voor short stay, het aanbod van 800 short stay appartementen bedient de markt voldoende;
  • Mocht het aanbod dalen, dan is het mogelijk om nieuwe short stay appartementen - in die delen van de stad waar de behoefte groot is en waar de woningmarkt het toelaat – toe te voegen;
  • De minimale verblijfstermijn voor de reeds vergunde short stay woningen of in nieuwbouw wordt weer zeven nachten;
  • Stadsdelen kunnen panden die geheel als short stay worden verhuurd, omzetten naar appartementenhotels;
  • Het onderscheid tussen bestaande bouw en nieuwbouw vervalt. Ook bij nieuwbouw is vanaf het nieuwe beleid een vergunning nodig;
  • De handhaving wordt versterkt binnen de aanpak van illegale hotels.

In dit bestemmingsplan wordt short stay niet langer toegestaan. Door de toename van toerisme in het gebied en de daarbij behorende vakantieverhuur van woningen en tijdelijke bewoning door mensen die geen binding met de buurt hebben, wordt short stay gezien als een woonvorm die niet langer bijdraagt aan een aangenaam woonklimaat. Short stay is dan bij gewijzigd beleid waarbij uitbreiding van short stay weer mogelijk wordt geacht, alleen nog toe te staan in afwijking van het bestemmingsplan.

4.4.5 Amsterdams deel Regionale hotelstrategie

Amsterdam gaat van een hotelbeleid naar een integraal (regionaal) overnachtingsbeleid dat zich richt op kwaliteit, spreiding en een gelijkwaardig ondernemersveld. Amsterdam loopt hiermee internationaal voorop. Met deze integratie van de dossiers heeft de gemeente oog voor de nieuwe dynamiek in de markt. En zorgt hiermee dat haar beleid en regelgeving hierop aansluit. Met vernieuwende en concrete instrumenten wordt bijgedragen aan het behoud van de balans tussen wonen, werken en recreëren in de stad.

Om dit te bereiken worden de volgende maatregelen ingezet:

  • Voor hotels geldt voor de hele stad `Nee tenzij´. Medewerking aan nieuwe hotelinitiatieven wordt in Amsterdam in de basis niet gegeven. Alleen als hotelinitiatieven écht iets toevoegen aan de omgeving en de markt wordt een uitzondering gemaakt.
  • De gemeente buigt zich over de mogelijkheden om reeds geschapen planruimte in ‘open’ bestemmingsplannen waar hotelontwikkeling toegestaan is, te schrappen.
  • Hotelontwikkelaars worden gemotiveerd om in de regio hotels te ontwikkelen.
  • Een pakket aan maatregelen waarmee kwaliteit, concept en programma van hotelinitiatieven geborgd worden.
  • De gemeente Amsterdam gaat een actieve bijdrage (in uren) leveren aan de voorgenomen totstandkoming van de regionale ontwikkelstrategie attracties MRA en zet in op de aanstelling van een regionale leisureloods.
  • Eigenaren van bestaande hotels worden gemotiveerd te verbeteren. Er wordt, samen met partners, een team ´schone hotels´ opgericht. Een nieuw voor oud systeem wordt geïmplementeerd en er wordt een set aan voorwaarden opgesteld waarmee kleine hotels bestendiger kunnen worden.
  • Het hotelbeleid kan niet los worden gezien van het toeristische gebruik van woningen. Het college neemt maatregelen om ongewenste neven effecten van de verhuur van woningen aan toeristen (shortstay, vakantieverhuur en B&B’s) weg te nemen.
  • Een nieuw en geautomatiseerd model van gastenregistratie. De vergaarde data wordt onder andere gebruikt om sneller en beter te kunnen (bij)sturen en besluiten.

Door alleen bestaande hotels te bestemmen en geen planologische ruimte te laten voor nieuwe hotels is het bestemmingsplan in overeenstemming met deze aanpassing van de Regionale hotelstrategie.

4.4.6 Nota Parkeernormen

In voorbereiding, vaststelling gepland voor 2e kwartaal 2017

4.4.7 Nota fietsparkeren

In voorbereiding, vaststelling gepland voor 2e kwartaal 2017

4.4.8 Horecabeleid

Het Horecabeleid Zuid 2011 is door de burgemeester vastgesteld en daarmee gemeentelijk beleid. Doelstelling van het horecabeleid is het verlevendigen en aantrekkelijker maken van het stadsdeel en het verruimen van mogelijkheden voor ondernemers, zonder dat het woon- en leefklimaat onder onevenredige druk komt te staan. Daarnaast wordt met het horecabeleid een bijdrage geleverd aan de ruimtelijk-economische doelstellingen om stadsstraten en -pleinen te ontwikkelen, vrijetijdsmilieus met elkaar te verbinden en het toerisme in het stadsdeel te stimuleren.

Om een gericht horecabeleid te voeren, hanteert Stadsdeel Zuid in nieuwe bestemmingsplannen een aantal horecacategorieën.

Deze categorisering vindt zijn grondslag in ruimtelijk en sociaal relevante aspecten als ruimtelijke uitstraling, verkeersaantrekkende werking, invloed op directe (woon)omgeving, geluid- en stank overlast en sociale veiligheid. Om de lichtste categorie Horeca IV nader te specificeren, is deze categorie opgesplitst in twee subcategorieën:

  • d. IV A (restaurant, eetcafé);
  • e. IV B (lunchroom, ijssalon, koffiehuis, theehuis, juicebar).

Overigens wordt in dit bestemmingsplan geen onderscheid gemaakt in deze twee categorieën.

Een eetcafé levert in het algemeen meer belasting op voor het woon- en leefklimaat dan een lunchroom of koffiehuis. Koffiehuizen en lunchrooms sluiten doorgaans in Amsterdam aan het begin van de avonduren terwijl de restaurants en eetcafés pas sluiten aan het eind van de door de APV voorgeschreven uren (01.00 uur doordeweeks, 03.00 uur in het weekend). Een horecabedrijf met meer dan één activiteit valt onder de categorie die de meeste overlast veroorzaakt.

Coffeeshops vormen een aparte categorie horeca-inrichtingen waarvoor een specifieke exploitatievergunning wordt verleend. Coffeeshops vallen planologisch gezien in de categorie horeca IV (restaurant, lunchroom, koffie- of theehuis). De verkoop van hasj wordt echter niet in bestemmingsplan geregeld. Hiervoor geldt stedelijk beleid. Indien coffeeshops in de toekomst als gevolg van nieuw gemeentelijk beleid moeten verdwijnen, is er in dat pand horeca-exploitatie mogelijk binnen de geldende horecacategorie.

Trends en ontwikkelingen in zelfstandige horeca

De afgelopen jaren is onduidelijkheid ontstaan over wat de grenzen zijn tussen de horecacategorieën. Dit heeft onder andere te maken met nieuwe trends, concepten en formules waar de regelgeving niet in voorziet. Voorbeelden zijn onder andere dansen in een restaurant of café en uiteenlopende vormen van zaalverhuur. Deze nieuwe ontwikkelingen passen niet eenduidig binnen de bestaande horecacategorieën. In het Horecabeleid is aangegeven hoe hiermee in het bestemmingsplan wordt omgegaan.

  • Voor dansen geldt dat regelmatig de mogelijkheid tot dansen wordt geboden in andere zaken dan discotheken. Dansen in een café of restaurant is niet verboden als dat past binnen het karakter van het café of restaurant. Dat moet bijvoorbeeld uit het bedrijfsplan blijken. Zodra de zaak het karakter van een discotheek of zalenverhuur krijgt, zoals bij het heffen van entreegeld of wanneer de dansvloer groter is dan 20% van de bruto vloeroppervlakte, is er sprake van horeca II. In het kader van het bestemmingsplan is dan een zwaardere toetsing aan de orde. Getoetst wordt op mogelijke aantasting van het woon- en leefklimaat. In het Activiteitenbesluit wordt geregeld dat er geen geluidsoverlast door muziek mag ontstaan, ongeacht de horecacategorie.
  • Muziek ten gehore gebracht door dj's was in het verleden verbonden met het op grote schaal dansen (horeca II), maar er zijn nu vele formules waarbij een dj in een café optreedt, zonder dat er gedanst wordt. Voor toekomstige bestemmingsplannen moeten de definities van de horecacategorieën zoals gehanteerd in dit horecabeleid worden opgenomen in de regels, zodat dergelijke concepten mogelijk worden gemaakt.
  • Zaalverhuur komt in verschillende vormen voor, voorziet in verschillende behoeften (van vergadering tot feest), en geeft een verschillende mate van overlast. Het is wenselijk om deze verschillende vormen van zaalverhuur mogelijk te maken. In het horecabeleid zijn vijf verschillende vormen van zaalverhuur beschreven, waarbij is aangegeven welke functie in het bestemmingsplan daarbij past.

Trends en ontwikkelingen in onzelfstandige horeca

In het horecabeleid worden twee vormen van ondersteunende horeca onderscheiden, namelijk mengformules en additionele horeca.

  • Bij mengformules gaat het om winkels, kantoren (met een publieks- of baliefunctie), dienstverlenende bedrijven en grootschalige detailhandelconcepten die geen planologische bestemming horeca hebben waarbij een deel van het vloeroppervlak gebruikt wordt als horeca. Voorbeelden van mengformules zijn een bakker met een koffiehoek of een meubelwinkel met een eetgelegenheid. De laatste jaren is een toenemende vraag te zien naar winkelconcepten met een horecadeel. In deze winkel- of kantoorconcepten worden meerdere, uiteenlopende, activiteiten gecombineerd in één onderneming. Ondernemers spelen hiermee in op het veranderende consumentengedrag zoals recreatief winkelen of funshoppen. Ondernemers kunnen een dergelijk rustpunt bieden door een zitruimte in te richten en gelegenheid te bieden voor het consumeren van dranken en etenswaren. Daarnaast leveren mengformules ook een bijdrage aan een positief vestigingsklimaat voor (startende) ondernemers, omdat het de mogelijkheid biedt om bedrijfsactiviteiten uit te breiden. Dit bevordert de overlevingskansen van bijzondere en specialistische winkels. Dit heeft tot gevolg dat de gevarieerdheid van het winkelaanbod in stand blijft of wordt vergroot. In Stadsdeel Zuid geldt voor mengformules in detailhandel geldt een maximum netto vloeroppervlak van 30% van het netto vloeroppervlak van een vestiging met een absoluut maximum van 30 m2.
  • Wanneer het bestemmingsplan geen mengformule toestaat, dan is een planologische procedure noodzakelijk. Hieraan wordt meegewerkt wanneer de aanvraag voor de mengformule voldoet aan de in het horecabeleid gestelde criteria.
  • Additionele horeca is onzelfstandige horeca in instellingen van maatschappelijke, culturele en sportieve voorzieningen, waarbij een deel van het vloeroppervlak van de voorziening wordt gebruikt voor het tegen vergoeding schenken van dranken en/of verstrekken van spijzen voor directe consumptie. Additionele horeca is altijd ondergeschikt aan de hoofdfunctie. Voorbeelden hiervan zijn: een sportkantine, een foyer in een bioscoop of theater of een museumrestaurant voor bezoekers.
  • Additionele horeca is in Stadsdeel Zuid mogelijk onder een aantal in het horecabeleid gegeven voorschriften en bepalingen. Ruimtelijke aspecten daarbij zijn:
  • 1. Het deel van het netto vloeroppervlakte dat in gebruik is als additionele horeca mag ten hoogste 20% van dat netto vloeroppervlak zijn;
  • 2. Horeca op basis van de additionele horecaregeling mogen geen terras exploiteren omdat zij niet functioneren als zelfstandige horeca (hiervoor ontbreekt de noodzakelijke planologische bestemming horeca).

Cultuur & horeca

Voor veel culturele instellingen is een goede horeca-exploitatie vaak noodzakelijk om de exploitatie financieel mogelijk te maken. De meeste culturele instellingen exploiteren horeca als ondergeschikte horeca op basis van de regeling voor additionele horeca. Dat stelt een aantal beperkende voorschriften aan de horeca exploitatie en staat hiermee in sommige gevallen een goede culturele exploitatie in de weg. Deze beperkingen kunnen alleen worden opgeheven door (gedeeltelijk) zelfstandige horeca voor culturele instellingen mogelijk te maken. Dit kan wanneer een pand (met een maatschappelijke functie, of bestemming cultuur en ontspanning) een (gedeeltelijke) horecafunctie krijgt in het bestemmingsplan.

Het horecabeleid geeft culturele instellingen ruimte op het gebied van horeca om een goede culturele exploitatie mogelijk te maken. Een gedeeltelijke, dan wel gehele bestemmingsverandering binnen de bestemming 'maatschappelijk' of 'cultuur en ontspanning' is mogelijk, wanneer deze tot doel heeft de culturele exploitatie te verstevigen. Per situatie wordt bekeken of een gedeeltelijke of gehele bestemmingsverandering wenselijk en/of mogelijk is. Hierbij wordt onder andere nagegaan of het afscheiden van de horecacomponent van de culturele functie fysiek mogelijk is.

4.4.9 Beleid verkooppunten openbare ruimte

In voorbereiding, vaststelling 2017

4.4.10 Agenda Duurzaamheid

De gemeenteraad heeft op 11 maart 2015 “Duurzaam Amsterdam, agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad” vastgesteld. Er wordt daarbij ingezet op vijf transitiepaden. Voor elk transitiepad geldt dat 'omdenken' de essentie is: om te komen tot nieuwe manieren van productie, consumptie en distributie om zo te verduurzamen.

  • a. Duurzame energie

De ambitie is om per inwoner 20 procent meer op te wekken ten opzichte van 2013. Daarbij wordt ingezet op extra windmolens, extra zonnepanelen en een groei van het aantal aansluitingen op duurzame stadswarmte. De ambitie is ook om in 2020 per inwoner 20 procent minder energie te verbruiken dan in 2013. De gemeente ziet kansen deze versnelling te realiseren door de bestaande woningvoorraad te verduurzamen, energiebesparing in woningen, bedrijven en maatschappelijk vastgoed te realiseren en door energieneutraal bouwen te stimuleren.

  • b. Schone lucht

Om de luchtkwaliteit te verbeteren stimuleert en faciliteert de gemeente slimmer en schoner gemotoriseerd verkeer. De meetlat wordt hoger gelegd en wordt de focus verschoven van 'normen' naar 'gezondheid'. Verder wordt uitstoot van roet teruggedrongen, een schadelijke stof waarvoor nog geen normen gelden. Doel daarbij is om in 2025 uitstootvrij of zo schoon mogelijk te rijden. De ingestelde milieuzones worden gereguleerd en gehandhaafd. Daarnaast wordt sterker ingezet op elektrisch vervoer.

  • c. Circulaire economie

In de regio Amsterdam is de afgelopen periode via enkele pilots geëxperimenteerd met de overgang naar een circulaire economie. In een circulaire economie wordt slim omgegaan met energie, water, grondstoffen en voedsel. De gewenste omschakeling vraagt om stimuleren van bedrijvigheid, onderzoek en innovatie. De ambitie is om in 2020 65 procent van het huishoudelijk afval te scheiden voor nuttig hergebruik.

  • d. Klimaatbestendige stad

Klimaatadaptatie is bij uitstek een samenwerkingsopgave. Uitgangspunt is dat wateroverlast geaccepteerd zal moeten worden, maar nu al kan de stad worden aangepast op méér water, en op droge periodes.

  • e. Gemeente Duurzaam

De gemeente Amsterdam verduurzaamt de eigen bedrijfsvoering. In 2025 is de eigen CO2-uitstoot 45 procent minder dan in 2012. Daarnaast zal de gemeente het percentage gescheiden afval van de gemeentelijke kantoren omhoog brengen van ca. 40% nu tot 75% deze periode.

Het bestemmingsplan staat dit gemeentelijk beleid niet in de weg.

4.5 Stadsdeelbeleid

4.5.1 Bestuursakkoord

In zowel het bestuursakkoord van Zuid als in het coalitieakkoord van het College van Burgemeester en Wethouders staan afspraken en doelen die betrekking hebben op onderwerpen die in deze nota van uitgangspunten aan de orde zijn geweest. In het bestuursakkoord van Zuid hebben de volgende afspraken/doelen een relatie met het nieuwe bestemmingsplan:

  • 1. In te starten nieuwbouwprojecten wordt de ambitie uitgesproken om vijftig procent van de woningen in de categorie 'modale huurwoningen' te realiseren.
  • 2. Er wordt ruimte gegeven aan initiatieven voor zelfbouw en de ruimte in bestemmingsplannen wordt benut of anders gecreëerd.
  • 3. Studenten worden de ruimte gegeven om een geschikte woning te vinden in het stadsdeel.
  • 4. De transformatie van leegstaande gebouwen naar andere functies wordt gestimuleerd, waarbij een transformatie naar wonen de voorkeur heeft.
  • 5. Bestemmingsplannen worden flexibel gemaakt en mengformules, ondersteunende horeca, broedplaatsen en tijdelijke initiatieven krijgen de ruimte.
  • 6. De horecaoverlast wordt bestreden en er wordt gehandhaafd op branches als Shisha-lounges en massagesalons.
  • 7. Er wordt ingezet op een breed gebruik van de sportvelden, voorzieningen delen door clubs en sportvoorzieningen in de openbare ruimte worden gestimuleerd.
  • 8. Bij adviezen van Bureau Monumenten & Archeologie maakt het stadsdeel steeds een eigen afweging tussen het eigendomsrecht en belang om de monumentenstatus te geven.

Ad 1: Modale huurwoningen ('middensegment-woningen') betreffen geen woningtype dat een dermate afwijkende ruimtelijke impact heeft ten opzichte van andere woningen, dat deze apart bestemd kunnen worden. Dit wordt ook wel een te beperkte “ruimtelijke relevantie” genoemd. Het maken van onderscheid tussen verschillende gebruiksvormen is alleen toegestaan, als dit een bepaald ruimtelijk relevant doel treft. Aangezien de wens tot meer modale huurwoningen geen ruimtelijk relevant doel heeft, maar een volkshuisvestelijk belang betreft, is het bestemmingsplan niet het aangewezen middel om de gewenste differentiatie in de woningvoorraad te bewerkstelligen. Modale huurwoningen vallen dan ook onder de generieke woonbestemming. Het is wel mogelijk om via afwijken op het bestemmingsplan het gesprek met de ontwikkelaar aan te gaan. Op het moment dat het te transformeren gebouw reeds de woon-bestemming heeft, dan zal de ontwikkelaar minder genegen zijn om het gesprek aan te gaan met het bevoegd gezag en inzetten op een meer marktconforme omzetting. Het is derhalve aan te bevelen om het vastgoed in de Pijp dat voor transformatie in aanmerking komt, niet bij voorbaat een woonbestemming toe te kennen. Gebouwen die in aanmerking komen voor transformatie zijn de grotere kantoorpanden en de maatschappelijk bestemde gebouwen. Van de eerste categorie komen niet veel panden voor in de Pijp. Daar waar de woonbestemming al is toegekend aan een gebouw, zal deze niet ontnomen worden om dan later via een afwijking op het bestemmingsplan weer toe te kunnen kennen. Kantoorpanden die de woonbestemming nog niet hebben, zullen deze in het nieuwe bestemmingsplan niet verkrijgen, zodat via een afwijking op het bestemmingsplan het gesprek met de betreffende eigenaar/ontwikkelaar aangegaan kan worden. Voor de tweede categorie (transformatie maatschappelijke panden) is in paragraaf 3.3.5 aangegeven dat deze panden in eerste instantie de maatschappelijke bestemming behouden blijft.

Ad 2: In de Pijp zijn voorlopig geen zelfbouwprojecten voorzien. Hier wordt dan ook niet de nodige planologische ruimte voor gecreëerd.

Ad 3: In paragraaf 3.3.1 is aangegeven dat de woonbestemming dermate ruim zal worden gemaakt, dat de meest voorkomende woonvormen daarin worden toegestaan. Hiermee wordt voorkomen dat het bestemmingsplan een belemmering wordt voor het kunnen uitvoeren van het woonbeleid. Het moet zonder planologische procedure mogelijk zijn om zowel vrije sector woningen, sociale huurwoningen, zorgwoningen, studentenwoningen, gezinswoningen, etc. te realiseren. Ook hiervoor geldt als bij ad 1 reeds is aangegeven: het differentiëren in de woningvoorraad is weinig ruimtelijk relevant. Sturing gaat via afspraken op volkshuisvestelijk gebied. Het moet immers (planologisch) altijd mogelijk zijn dat een corporatie de sociale huurwoning verkoopt, of van grote woningen juist kleinere woningen maakt (en ze daarmee in een ander woningsegment plaatst).

Ad 4: Gebouwen met een groot oppervlak komen bij leegstand steeds vaker in aanmerking voor transformatie. Het bestuur van het stadsdeel zet hierbij in op het realiseren van woningen in het middensegment. Zoals reeds eerder geconcludeerd, heeft het de voorkeur om in het kader van een afwijking op het bestemmingsplan deze wens kenbaar maken en derhalve wonen niet bij voorbaat bij recht mogelijk te maken in het bestemmingsplan. Hiermee ontstaat de situatie dat iets dat beleidsmatig gewenst is, met opzet buiten het bestemmingsplan wordt gelaten. Op het moment dat een transformatie naar een ander gebruik dan woningen bij recht wordt toegestaan, dan lijkt dit erop dat deze transformatie prevaleert boven de transformatie naar wonen. Dit is niet de bedoeling. Uit het oogpunt van de haalbaarheid van de doelstelling tot meer woningen in het middensegment, wordt dan ook voorgesteld om geen ander gebruik toe te staan in het betreffende gebouw dan op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezige gebruik. Dit is minder flexibel dan bij overige panden, maar zo wordt in ieder geval gewaarborgd dat bij een transformatie van het gebouw, altijd alle opties open staan. Met de verruiming van de mogelijkheden tot het afwijken van het bestemmingsplan met een reguliere procedure, hoeft het inboeten op flexibiliteit in het bestemmingsplan niet direct te leiden tot lange(re) planologische procedures.

Ad 5: Dit bestemmingsplan biedt flexibiliteit door meerdere gebruiksvormen toe te staan binnen dezelfde (gemengd-)bestemming. Mengformules en ondersteunende horeca worden in het nieuwe bestemmingsplan bij recht toegestaan.

Ad 6: in principe valt de handhaving op horecaoverlast onder de werkingssfeer van de APV. Het nieuwe bestemmingsplan voorkomt wel de toename van horecaoverlast als gevolg van een verdere groei van het aantal horecavoorzieningen. Om de handhaving op shisha-lounges en massagesalons te vergemakkelijken, worden deze voorzieningen specifiek in het bestemmingsplan geregeld. Dit voorkomt dat er meer van dergelijke voorzieningen in de Pijp komen en maakt handhaving op nieuwe (en daarmee illegale) vestigingen op basis van het bestemmingsplan mogelijk. Handhaving op bestaande shisha-lounges en massagesalons valt eveneens onder de werkingssfeer van de APV, aangezien aspecten als verstoring van openbare orde, geluidsoverlast en prostitutie in de APV geregeld worden.

Ad 8: Monumenten worden beschermd via de Monumentenwet en de Erfgoedverordening. Het is niet noodzakelijk om hiervoor aanvullende regelingen op te nemen in het bestemmingsplan. Wel kan er aanleiding zijn om cultuurhistorisch en architectonisch waardevolle gebouwen in het bestemmingsplan te voorzien van een bepaalde mate van bescherming. Zie hiervoor paragraaf 3.2.

4.5.2 Gebiedsagenda De Pijp/Rivierenbuurt 2016-2019

In de gebiedsagenda de Pijp/Rivierenbuurt 2016-2019 staan de volgende aandachtspunten:

  • 1. Meer balans tussen de groeiende centrumfuncties en de leefbaarheid in de woonbuurten, met name in de Oude Pijp;
  • 2. Als het gebied zijn succes wil behouden is van belang om mee te groeien en te ontwikkelen en tegelijkertijd de factoren die het succes bepalen te behouden en te versterken. Denk daarbij aan de kleinschaligheid, bereikbaarheid, tolerantie en een passend en divers aanbod aan voorzieningen;
  • 3. Structurele oplossingen om de capaciteit voor fietsparkeren te vergroten zijn noodzakelijk;
  • 4. Er zijn veel bewonersinitiatieven en georganiseerde bewoners- en ondernemersnetwerken. Het gebied is kansrijk als het gaat om (burger)participatie.

Ad 1: In dit bestemmingsplan zijn enkele regelingen opgenomen die tot doel hebben het behouden van de balans tussen de woonfunctie en de uitrol van het centrummilieu. Het gaat dan met name om het beperken van de groei van het aantal horecavoorzieningen, het tegengaan van toeristische verhuur van woningen (voor zover dit kan in het bestemmingsplan) en het beschermen van ambachtelijke bedrijvigheid.

Ad 2: voor het kunnen behouden van de kleinschaligheid en diversiteit van het aanbod van niet-woonfuncties, zijn regelingen opgenomen die dit doel dienen, zoals het beperken van het maximum vloeroppervlak en het voorkomen van samenvoegingen.

Ad 3: Het stadsdeel is bezig met het zoeken van ruimte voor fietsparkeren, teneinde de te verwachten toename in de fietsparkeerdruk als gevolg van de Noord-Zuidlijn op te kunnen vangen. Het bestemmingsplan faciliteert (ondergrondse) inpandige fietsenstallingen.

Ad 4: In het kader van de Nota van Uitgangspunten is een informatieavond gehouden, zijn er ongeveer 50 straatinterviews gehouden en zijn meerdere stakeholders in het gebied benaderd. Aanvullen VO en OW

4.5.3 Economische visie winkelgebied Ferdinand Bolstraat

In de Economische visie winkelgebied Ferdinand Bolstraat wordt verwacht dat met de komst van de Noord/Zuidlijn de stedelijke betekenis van het winkelgebied Ferdinand Bolstraat zal toenemen. Rekening moet worden gehouden met een versterking van een vestigingspatroon waarbij filialen van bekende winkelketens zich concentreren op het kernwinkelgebied tussen Albert Cuypstraat/Gerard Doustraat en de Ceintuurbaan. Daarbij zal zich tevens een proces van schaalvergroting voordoen.

Kleine zelfstandigen, speciaalzaken en buurtwinkels zullen daardoor meer en meer zijn aangewezen op andere delen van De Pijp, onder andere het noordelijke deel van de Ferdinand Bolstraat. Gezien de kleinschaligheid van de bebouwing van dit deel van de straat (die ook tot uiting komt in het gevelbeeld en het gebruik van de begane grond) is deze locatie daar uitermate geschikt voor, zodat hier een gedifferentieerd kleinschalig winkelaanbod kan ontstaan.

De Economische visie winkelgebied Ferdinand Bolstraat bevat de beleidsdoelstelling om de Eerste Jacob van Campenstraat te laten ontwikkelen tot een belangrijke looproute richting het Museumplein. Daarnaast is voor de Daniël Stalpertstraat opgenomen dat de begane grond in deze straat geschikt is voor vestiging van kleinschalige winkels en bedrijven.

Het bestemmingsplan voorziet in regelingen die aansluiten bij deze economische visie.

4.5.4 Nota 'Ondernemen in Zuid'

In de op 26 oktober 2011door de stadsdeelraad vastgestelde nota 'Ondernemen in Zuid' is stadsdeelbeleid voor diverse economische functies weergegeven. De voor bestemmingsplan relevante aspecten zijn de volgende.

  • Bestaande winkelstraten

Ontwikkelingen zoals de komst van nieuwe retailconcepten die nog niet in het stadsdeel gevestigd zijn of die een toevoeging kunnen zijn voor de branchering in de straat, bieden kansen voor winkelstraten. Ook de uitbreiding in volume of winkelbranche van gevestigde ondernemers vormen kansen die aandacht verdienen. Om dit soort toekomstige kansen te faciliteren, stelt het stadsdeel flexibele bestemmingsplannen op voor de bestaande detailhandelstructuur. Daarmee wordt geanticipeerd op onverwachte kansen door ruimte (volume) te creëren voor toekomstige ontwikkelingen. Dit aspect is van belang voor het kernwinkelgebied in de Ferdinand Bolstraat tussen Albert Cuypstraat/Gerard Doustraat en de Ceintuurbaan, en is in de Economische visie winkelgebied Ferdinand Bolstraat opgenomen als beleidsuitgangspunt.

  • Ruimte voor kleinschaligheid

Een goed vestigingsklimaat kan ook ongewenste effecten hebben. Gevestigde ondernemers worden geconfronteerd met hoge huren of de huur wordt opgezegd ten behoeve van andere branches. Bewoners zien hierdoor de winkelstraat veranderen en missen de oude vertrouwde buurtwinkels. Het behoud van buurtwinkels is voor het stadsdeel een belangrijke kwaliteit. De gemeente kan prijsstijgingen van winkelpanden niet beperken maar kan wel ruimte maken voor ondernemerschap door bedrijf- en winkelruimte planologisch mogelijk te maken in de zijstraten of de nabije omgeving. Daarom wordt bij nieuwe bestemmingsplannen gekeken waar de detailhandelfunctie bescherming verdient en waar uitbreiding mogelijk is als de markt (de economische conjunctuur) daar om vraagt.

De nota 'Ondernemen in Zuid' bevat het beleid voor de detailhandel in geheel Stadsdeel Zuid. Belangrijk uitgangspunten in de nota zijn het behouden en herstellen van solitaire buurtwinkels en het beschermen van de detailhandelsfunctie in de belangrijke winkelgebieden.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit stadsdeelbeleid.

4.5.5 Huisvesting van Maatschappelijke Voorzieningen in Stadsdeel Zuid

In de beleidsnota Huisvesting van Maatschappelijke Voorzieningen worden de sociaal-ruimtelijke opgaven per beleidsterrein benoemd voor Zuid (jeugd, kunst en cultuur, Wet maatschappelijke ondersteuning/participatie en dienstverlening en sport). Bekeken wordt waar maatschappelijke voorzieningen in stand gehouden dienen te worden en waar er kansen liggen voor efficiënter gebruik. Stadsdeel Zuid is een populair stadsdeel met veel maatschappelijke, sport en culturele voorzieningen. Er zijn geen grote tekorten aan maatschappelijke voorzieningen op wijkniveau.

Per wijk wordt in de beleidsnota een uitwerking gemaakt. Waarbij de volgende criteria gehanteerd worden:

  • sluit aan bij de opgave/vraag uit de buurt;
  • goed uitvoerbare programmering, beheer en exploitatie;
  • spreiding en clustering.

Voor De Pijp als geheel wordt geconstateerd dat de wijk een gevarieerd aanbod van maatschappelijke voorzieningen per beleidsterrein kent. Deze dient beschermd en versterkt/uitgebreid te worden. Voor de langere termijn geldt dat waarschijnlijk de vraag naar kinderopvang en de vraag naar kinderactiviteiten iets zal afnemen. De vraag naar sportvoorzieningen en groepspraktijken zal voor De Pijp groot blijven. De vraag naar ouderenvoorzieningen zal naar verwachting toenemen.

Het bestemmingsplan maakt binnen de Gemengd-bestemmingen 'Gemengd -1 vestiging van maatschappelijke dienstverlening mogelijk. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de sociaal-ruimtelijke opgave van het Stadsdeel.

4.5.6 Bomenbeleid

Het Bomenbeleid Stadsdeel Zuid 2012 bepaalt het beleid ten aanzien van de bomen in het stadsdeel en specificeert welke voornemens het stadsdeel heeft. Om het beleid tot een succes te maken moet binnen het stadsdeel nauw samengewerkt worden tussen de disciplines ruimtelijke ontwikkelingen, beheer openbare ruimte, vergunningverlening, projecten, handhaving en communicatie.

De noodzaak voor het opstellen van het bomenbeleid is gebaseerd op de volgende punten:

  • f. Behoefte aan eenduidige regels ten aanzien van het bomenbeleid;
  • g. Behoefte aan kaders voor boombeheer;
  • h. Behoefte aan aandacht voor bomen tijdens ruimtelijke ontwikkelingsprocessen;
  • i. Terugdringen van het aantal regels;
  • j. Een duurzaam en beheerbaar bomenbestand.

De Oude en de Nieuwe Pijp zijn onderdeel van de vooroorlogse stad van Stadsdeel Zuid. Hoewel in de dichtbebouwde negentiende-eeuwse wijken zoals De Pijp de groenstructuur meestal van recentere datum is, is zij waardevol. In deze wijken waren vooral de brede verbindingswegen zoals de Stadhouderskade en de Ceintuurbaan met bomen beplant. Ook straten waar de gegoede burgerij woonde hadden vaak bomenrijen aan één of weerszijden van de straat. In de uitbreidingsplannen uit de jaren '10 en '20 van de vorige eeuw werd beplanting een integraal onderdeel van het stedenbouwkundig denken. Hierdoor zijn zelfs in straten waar normaliter geen groei van bomen mogelijk was wel groeiplaatsomstandigheden gecreëerd, onder andere door het inpassen van boombakken.

Het vooroorlogse gedeelte van het stadsdeel heeft volgens de statistieken relatief weinig openbaar groen. Maar vanwege de vele bomen in de parken, de straten, de verschillende groene assen en langs de brede waterlopen wordt dit gebied toch getypeerd en beleefd als een groen gebied.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit stadsdeelbeleid.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient met dit bestemmingsplan onderzocht te zijn hoe met bepaalde milieu- en omgevingsaspecten rekening is gehouden. Doel is aan te tonen dat de milieu- en omgevingsaspecten geen belemmering vormen voor de mogelijkheden die met dit bestemmingsplan worden gefaciliteerd. In dit hoofdstuk komen deze aspecten aan bod. Per aspect wordt ook steeds het voor dat aspect relevante beleid vermeld.

5.1 Archeologie

5.1.1 Verdrag van Malta

Het Verdrag van Malta is een verdrag dat in 1992 werd ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa. Het verdrag, ook wel de Conventie van Malta of het Verdrag van Valletta genoemd, beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Het gaat om archeologische resten als nederzettingen, grafvelden, en gebruiksvoorwerpen. Uitgangspunt van het verdrag is dat het archeologische erfgoed integrale bescherming nodig heeft en krijgt. Dit is gevat in drie principes:

  • Streven naar behoud in situ van archeologische waarden. De bodem is de beste garantie voor een goede conservering van archeologische resten (artikel 4);
  • Tijdig rekening houden in de ruimtelijke ordening met de mogelijkheid of aanwezigheid van archeologische waarden, zodat er nog ruimte is voor archeologievriendelijke alternatieven (artikel 5). Zo wordt voorgesteld om steeds vooraf onderzoek te laten doen naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden om het bodemarchief beter te beschermen en om onzekerheden tijdens de bouw van bijvoorbeeld nieuwe wijken te beperken. Op deze manier kan daar bij de ontwikkeling van de plannen zoveel mogelijk rekening mee worden gehouden;
  • De verstoorder betaalt voor het doen van opgravingen en het documenteren van archeologische waarde, wanneer behoud in situ niet mogelijk is (artikel 6).
5.1.2 Archeologische monumentenkaart (AMK)

Volgens de Archeologische monumentenkaart (AMK) hebben enkele delen van het plangebied een hoge archeologische waarde. Het verwachtingsbeeld van de AMK is echter algemeen van aard en dient in het kader van de bouwplanvorming nader te worden uitgewerkt.

5.1.3 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie

In juni 2010 heeft de Provincie Noord-Holland een nieuwe “Leidraad Landschap en Cultuurhistorie” vastgesteld (besluit d.d. 21 juni 2010). De vernieuwde leidraad is een uitwerking van het in 2006 vastgestelde “Beleidskader Landschap en Cultuurhistorie” die eveneens reeds werd gebruikt als leidraad voor ruimtelijke plannen als bestemmingsplannen, beeldkwaliteitsplannen en structuurplannen.

Met de nieuwe leidraad wil de provincie ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen en tegelijkertijd verantwoord omgaan met het verleden. De Noord-Hollandse landschappen moeten optimaal worden gebruikt door het benutten van hun kenmerkende kwaliteiten bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Nieuwe ruimtelijke plannen dienen rekening te houden met de ontwikkelingsgeschiedenis, de bebouwingskarakteristiek en de inpassing in de wijdere omgeving. Het basisuitgangspunt is daarmee 'behoud door ontwikkeling'. De leidraad is hiervoor het meetpunt en geeft richting aan het ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit.

De leidraad geeft aan welke kernkwaliteiten van landschap en cultuurhistorie van provinciaal belang zijn. Provinciale Staten willen dat deze kwaliteiten op een zorgvuldige wijze worden meegenomen bij nieuwe ontwikkelingen waar nut en noodzaak van zijn onderbouwd Gedeputeerde Staten (GS) kunnen gemeenten ontheffing verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand bebouwd gebied, mits 'nut en noodzaak' van deze ruimtelijke ontwikkelingen door de gemeenten en initiatiefnemers van de plannen zijn aangetoond. Als nut en noodzaak is aangetoond zal de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) advies uitbrengen aan GS op het punt van ruimtelijke kwaliteit.

De Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie is een geografische uitwerking van de Leidraad landschap en Cultuurhistorie. De kaart geeft informatie over landschapstypen, aardkundige waarden, cultuurhistorische objecten, archeologische verwachtingen en structuurdragers als molens, militaire structuren en historische dijken. Ten aanzien van de archeologische waarden is de informatiekaart een herziening van de voorheen geldende Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW).

Het beleidskader in de leidraad is aangevuld met een aantal onderwerpen die voortvloeien uit de Structuurvisie Noord-Holland 2040 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (PRVS) en die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Holland. De aanvullingen betreffen de aardkundige waarden en een aantal landschappelijke aspecten. In het kader van de archeologische waarden zijn twee aspecten uit de leidraad van belang:

Aardkundige waarden

Een belangrijke component van het landschap is de bodem. De verscheidenheid aan bodemeigenschappen die worden aangetroffen is het resultaat van de natuurlijke ontstaansgeschiedenis. Daarnaast worden in de bodem sporen aangetroffen van het gebruik van voorgaande generaties: de antropogene waarden van de bodem. Behoud van de bodemeigenschappen betekent dat het nu en in de toekomst mogelijk is en blijft informatie aan de bodem te ontlenen voor reconstructie van de ontstaanswijze en de bewoningsgeschiedenis. Behoud van de verscheidenheid aan bodemeigenschappen resulteert bovendien in het bewaren van een gevarieerd landschap dat vanuit het oogpunt van belevingswaarde hoog scoort: de esthetische functie van de bodem.

Bij de aardkundige waarden wordt onderscheid gemaakt naar 'Aardkundige monumenten' en gebieden met 'bijzondere aardkundige waarden'. In het plangebied (rood gemarkeerd op het kaartje) bevinden zich geen provinciale aardkundige monumenten en zijn geen gebieden met bijzondere aardkundige waarden aanwezig.

Archeologische waarden

In de leidraad is de voorheen geldende provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) herzien. De provincie Noord-Holland wordt gekenmerkt door een rijk bodemarchief, waarvan de bewaarcondities over het algemeen gunstig zijn. Dat maakt dat bijna de gehele provincie een potentiële archeologische verwachting heeft. In het licht van de structuurvisie, waarbij de provincie haar eigen belang formuleert, is een aantal gebieden in Noord-Holland aangewezen die een bovenregionale archeologische waarde vertegenwoordigen. In totaal zijn tien gebieden van provinciaal archeologisch belang aangewezen. Dit plangebied (rood gemarkeerd op het kaartje) maakt geen onderdeel uit van een van bovenstaande gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0055.jpg"

Afbeelding 50: Aardkundige monumenten en gebieden met bijzondere aardkundige waarden (links) Archeologische gebieden van provinciaal belang (rechts)

Gemeenten zijn wettelijk verplicht om bij ruimtelijke plannen voldoende rekening te houden met de te verwachte archeologische waarden en de bekende archeologische waarden (conform artikel 38a van de Monumentenwet).

5.1.4 Archeologisch bureauonderzoek

Door Monumenten en Archeologie (M&A) van de gemeente Amsterdam is voor het plangebied een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd.

Op basis van de historisch-topografische inventarisatie van het zijn binnen het plangebied materiële overblijfselen te verwachten die samenhangen met de bewonings- en gebruiksgeschiedenis van de 11de tot in 20ste eeuw. Dit leidt tot een verwachtingskaart van de materiële neerslag voor het plangebied met dertien zones.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0056.png"

Zone A: Binnendijkse Buitenvelderse Polder

Verwachting: laag

Hier kunnen archeologische resten voorkomen die verband houden met bewoning en landgebruik vanaf de 11de tot in de 20ste eeuw, zoals sloten en losse vondsten. Ook kunnen huisplaatsen uit de ontginningsperiode aanwezig zijn, maar deze kennen een lage trefkans.

Zone B: Amsteldijk

Verwachting: hoog

Sinds de late middeleeuwen fungeert deze dijk als een belangrijke waterkering en landweg. Onder het in de 20ste eeuw opgebrachte grondpakket zijn archeologische overblijfselen te verwachten in de vorm van ophogingslagen van veen, klei, afval en puin.

Zone C: Bewoning langs de Amstel

Verwachting: hoog

Langs de Amstel kunnen bewoningssporen vanaf de late middeleeuwen worden verwacht. Het hoogste aandeel in de verwachting heeft de periode vanaf de 16de eeuw, als diverse hofsteden en andere stedelijk georienteerde functies langs de dijk verschijnen. Vanwege de lange gebruiksperiode kan hier sprake zijn van een dichte opeenstapeling van archeologische resten, zoals ophogingslagen, diverse erfafscheidingen, houten en bakstenen funderingen, waterputten en huishoudelijk afval.

Zone D: Prestedelijke bewoningszone langs de Amstel

Verwachting: hoog (dichte spreiding)

De bewoningszone langs de Amstel (zone C) had met name bij de kruisingen met de verschillende paden van de Binnendijkse Buitenvelderse Polder een dichte bebouwing, met het karakter van een voorstad.

Zone E: Tuinen en bewoning langs de paden

Verwachting: hoog

In de 17de eeuw werd een aantal weren opgedeeld in kleinere kavels. Hier verschenen in de periode 1600-1800 een lange reeks moes- en pleziertuinen, afgewisseld met kleinschalige buitenhuisjes van welgestelde Amsterdammers. De archeologische resten hiervan betreffen ophogingslagen, diverse botanische resten en houten en bakstenen funderingen van kleinschalige bebouwing.

Zone F: Prestedelijke bewoningszone langs de paden

Verwachting: hoog

Zie zone D.

Zone G: Bedrijvigheid langs de Boerenwetering

Verwachting: hoog

De oevers van de Boerenwetering golden tussen 1600 en 1900 als een belangrijk nijverheidsgebied, waar allerlei bedrijven gevestigd waren waarvoor binnen de stadsmuren geen plaats was. De materiële neerslag betreft onder meer ophogingen, houten en bakstenen funderingen en kuilen met productieafval.

Zone H: Scheepswerven

Verwachting: hoog

Aan het einde van het Rustenburgerpad en Verwerspad waren tot ca. 1900 enkele 17de/18de-eeuwse scheepsbouwwerven actief. De verwachting komt voor een belangrijk deel overeen met zone G, maar kenmerkt zich door een structuren en vondsten gerelateerd aan de scheepsbouw, waaronder scheepshellingen, (hergebruikt) scheepshout en diverse gereedschappen.

Zone I: Zaagmolensloot

Verwachting: hoog

De Zaagmolensloot was een 17de-eeuws nijverheidsgebied voor houtverwerking. Tussen de molenwerven bevonden zich diverse houten bijgebouwen en woningen van de werklieden. Archeologische overblijfselen hiervan betreffen ophogingen, houten en bakstenen funderingen en kuilen met productieafval.

Zone J: Bedrijvigheid langs de Singelgracht

Verwachting: hoog

Langs deze 17de-eeuwse waterweg waren tot in de 19de eeuw diverse bedrijven en buitenplaatsen gevestigd. De materiële neerslag betreft ophogingen, houten en bakstenen funderingen en kuilen met productieafval.

Zone K: Watermolen Binnendijkse Buitenvelderse Polder

Verwachting: hoog

Betreft de locatie van de ca. 1635 in dienst gestelde watermolen van de Binnendijkse Buitenvelderse Polder. Archeologische resten hiervan kunnen bestaan uit ophogingen van de molenwerf, houten en bakstenen funderingen van de molen en eventuele bijgebouwen.

Zone L: Molenwerf

Verwachting: hoog

Betreft de molenwerven aan de Zaagmolensloot en het Verwerspad die met enige precisie te localiseren zijn. Overblijfselen van de molenwerven bestaan uit houten en bakstenen funderingen van de molens en eventuele bijgebouwen.

Zone M: Singelgracht

Verwachting: laag (voormalige waterbodem)

De 17de-eeuwse Singelgracht maakte deel uit van de verdedigingslinie van Amsterdam, maar de buitenoever vond ook gebruik als vestigingsplaats voor allerlei bedrijven. In de bedding van de (voormalige) gracht kunnen losse vondsten voorkomen die verband houden met de verschillende functies van de waterweg. Het betreffende deel van de Singelgracht is in de late 19de eeuw gedempt, waardoor eventuele archeologische resten zich in de ondergrond bevinden op 2,70 m - NAP; gemiddeld 3,2 m onder het huidig maaiveld.

Beleidkaart

De archeologische beleidskaart van het plangebied De Pijp is bedoeld als een ruimtelijk schema van de maatregelen die nodig zijn voor de zorg voor het archeologisch erfgoed binnen bepaalde zones of locaties in het plangebied. De verwachtingen worden gekoppeld aan de huidige toestand van het terrein en mogelijk opgetreden bodemverstoringen. De clustering van de verwachtingszones resulteert in een beleidskaart met daarop vijf zones met bijbehorende specifieke beleidsmaatregel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0057.png"

Beleidsvariant 3 (verwachtingszone B)

Uitzondering van archeologisch onderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 100 m2 of minder diep dan 0,5 m onder maaiveld.

Beleidsvariant 4 (verwachtingszones D, F, K en L)

Uitzondering van archeologisch onderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 100 m2 of minder diep dan 2 m onder maaiveld.

Beleidsvariant 5 (verwachtingszones C, E, G, H, I en J)

Uitzondering van archeologisch onderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 500 m2 of minder diep dan 2 m onder maaiveld.

Beleidsvariant 9 (verwachtingszone M)

Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij ingrepen kleiner dan 10.000 m2 of minder diep dan 3,2 m onder maaiveld.

Beleidsvariant 11 (verwachtingszone A en opgravingslocaties)

Voor deze zone geldt uitzondering van archeologisch vervolgonderzoek bij alle bodemingrepen.

Voor het gehele plangebied geldt conform de Monumentenwet een meldingsplicht. Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden sporen en/of vondsten ouder dan vijftig jaar worden aangetroffen, wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten.

5.2 Milieu

Een Milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een besluit in beeld, voordat het besluit wordt genomen. Zo kan de overheid die het besluit neemt (het bevoegd gezag) de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarnaast heeft m.e.r. twee nevendoelstellingen, namelijk:

  • Het stroomlijnen van besluitvorming: m.e.r. stroomlijnt de verschillende procedures die nodig zijn voor het al dan niet toestaan van die activiteit;
  • Het verbeteren van de milieuattitude: doordat m.e.r. de gevolgen voor het milieu systematisch in kaart brengt, is de houding van betrokkenen ten opzichte van milieubelangen in positieve zin te beïnvloeden.

Om deze doelstellingen te bereiken wordt voor bepaalde projecten en plannen een milieueffectrapport opgesteld. Hierin wordt inzichtelijk welke milieueffecten verwacht worden van het project of plan.

Dit bestemmingsplan is gericht op het behoud van de bestaande woningen. Er worden geen woningen toegevoegd. Uitbreiding van het winkelvloeroppervlak is in geringe mate toegestaan.

In dit bestemmingsplan wordt niet voorzien in de realisatie van m.e.r.-plichtige dan wel m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten.

5.2.1 Provinciaal Milieubeleidsplan 2009-2013

In het Provinciaal Milieubeleidsplan (PMP) staan de milieudoelen van de provincie. Ook wordt beschreven hoe die milieudoelen moeten worden gerealiseerd en binnen welke termijn. Het biedt gemeenten en waterschappen een kader voor hun beleid en geeft ondernemers en burgers inzicht in toekomstige ontwikkelingen en maatregelen. Voor de provincie is het de basis voor de vergunningverlening en handhaving. Daarnaast gebruikt de provincie het milieubeleidsplan om te kijken welke rol het milieu moet spelen in andere beleidsplannen.

Het hoofddoel in het milieubeleidsplan is om in de komende vier jaar overal in Noord-Holland de zogeheten basiskwaliteit te bereiken. Daarbij zijn er twee overkoepelende doelen:

  • het voorkomen van schade aan de menselijke gezondheid, dier en plant;
  • het stimuleren van duurzame ontwikkeling in Noord-Holland voor nu en in de toekomst, zonder afwenteling van de milieubelasting naar elders.

Om de doelen te bereiken worden activiteiten uitgevoerd op de volgende thema's: Afval, Bodem, Externe Veiligheid, Geluid, Geur, Licht en donkerte, Lucht, Klimaat en energie. De provincie zal ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, toetsen op energieaspecten en doelstellingen ten aanzien van duurzaam waterbeheer. Nieuwe woon- en werkgebieden moeten een duurzame inrichting krijgen.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit provinciaal beleid.

5.2.2 Milieubeleidsplan 2011-2014

In het Milieubeleidsplan 2011-2014 van Stadsdeel Zuid staan de visie en de doelen van het stadsdeel voor de volgende onderwerpen centraal: lucht, geluid, klimaat, duurzaam inkopen, groen, water, bodem en afval. Stadsdeel Zuid draagt bij aan de doelstelling van Amsterdam om in 2011 aan de Europese normen voor fijn stof te voldoen en in 2015 aan de normen voor stikstofdioxide. Daarnaast draagt Stadsdeel Zuid bij aan de doelen van de gemeente Amsterdam op het gebied van geluidhinder, die onder andere betrekking hebben op het terugdringen van geluidhinder. Doel daarbij is dat binnen 10 jaar (2018) er geen gevels meer zijn met een belasting door stedelijk wegverkeer boven 68 dB.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit stadsdeelbeleid.

5.2.3 Regeling milieuhinderlijke functies

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen.

Sinds de VNG-regeling "Bedrijven en Milieuzonering” is geactualiseerd heeft de gemeente Amsterdam, die tot voor kort uitging van een eigen systematiek, hier aansluiting bij gezocht. Deze regeling vormt het uitgangspunt voor de lijst die in het bestemmingsplan wordt gekoppeld aan alle bestemmingen waarbinnen mogelijke milieuhinderlijke functies zijn toegestaan (de Staat van Bedrijfsactiviteiten). In de VNG-regeling wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De aanbevolen afstand tussen een bedrijventerrein en een gemengd gebied neemt toe naarmate op het betreffende terrein bedrijven uit een zwaardere categorie zijn toegestaan.

In VNG-regeling is een tweetal bedrijvenlijsten opgenomen. Een lijst is geschikt voor enkel bedrijventerreinen, de andere lijst is geschikt voor gemengde gebieden, zoals stadscentra, dorpskernen, horecagebieden en gemengde woon- en werkgebieden. Het onderhavige plangebied is een gemengd woon-werkgebied waar naast woningen ook detailhandel, horeca, dienstverlening, kantoren, maatschappelijke voorzieningen en bedrijven zijn gevestigd. Voor dit bestemmingsplan is daarom de 'Staat van bedrijfsactiviteiten functiemenging' (bijlage 4 van de publicatie Bedrijven en Milieuzonering) toegepast.

In de Staat van bedrijfsactiviteiten functiemenging is een aantal bedrijven opgenomen welke uit oogpunt van hinder en gevaar goed inpasbaar zijn in een gebied met functiemenging. In de lijst is onderscheid gemaakt in de categorieën A, B en C. Categorie A bedrijven zijn relatief weinig milieubelastend voor de omgeving en kunnen daarom worden gevestigd in panden waar ook wordt gewoond. De eisen die het Bouwbesluit stelt aan de scheiding tussen wonen en bedrijven zijn toereikend. Categorie B bedrijven kunnen zich in een gemengd gebied vestigen. De milieubelasting van deze bedrijven is echter zodanig dat deze bouwkundig moeten worden afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies. Dit betekent dat deze bedrijven niet kunnen worden ondergebracht in hetzelfde pand als waar wordt gewoond. Categorie C bedrijven (zoals groothandel) hebben een dermate grote verkeersaantrekkende werking dat deze uitsluitend gewenst zijn langs de hoofdontsluiting van een wijk of stad.

In het bestemmingsplan is de Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging daarom beperkt tot de 'ambachtelijke' bedrijven, welke in een gemengd stedelijk gebied goed inpasbaar zijn. Volgens de systematiek is onderscheid gemaakt in de categorieën A, B en C. In het bestemmingsplan is dit vertaald door categorie A bedrijven toe te staan in panden waar ook wordt gewoond. Ook bij bedrijf aan huis is uitsluitend een categorie A bedrijf toegestaan. De categorie B bedrijven zijn alleen toegestaan als deze qua inpasbaarheid te vergelijken zijn met een categorie A bedrijf.

In het plangebied wordt op basis van de Staat van bedrijfsactiviteiten lichte bedrijvigheid toegestaan, die goed inpasbaar is in een gemengd stedelijk gebied.

5.3 Natuur

5.3.1 Flora- en faunawet

Op grond van internationale verplichtingen moet Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Nederlandse wet implementeren. Het gaat hierbij om behoud van de vogelstand (Vogelrichtlijn) en instandhouding van natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Habitatrichtlijn). De bescherming is voor soortbescherming geregeld in de Flora en Faunawet (2002) en voor gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet (1998). De wijziging van de laatstgenoemde wet is nog niet van kracht zodat op een aantal punten de Vogel- en Habitatrichtlijn gelden. Op grond van de Flora en Faunawet is het verboden beschermde planten te vernielen of te beschadigen, beschermde dieren te verstoren, verwonden of te doden. Daarnaast is het verboden rust- en verblijfplaatsen van beschermde diersoorten te beschadigen, weg te nemen of te vernielen. In het plangebied bevinden zich geen aangewezen beschermde gebieden in de zin van Vogel- en Habitatrichtlijn.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met deze wetgeving.

5.3.2 Gemeentelijke Gedragscode Flora- en Faunawet (2009)

Voor de gehele gemeente Amsterdam geldt de in 2009 vastgestelde 'Gedragscode voor het zorgvuldig handelen bij ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud'. De gedragscode is geldig vanaf 18 december 2009 tot en met 18 december 2014. In de gedragscode worden de voorzorgsmaatregelen beschreven die erop zijn gericht de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten die binnen haar gemeente grenzen voorkomen, bij het uitvoeren van werkzaamheden te handhaven dan wel te versterken.

Met de gedragscode voldoet de gemeente aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 16c van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantsoorten Flora- en faunawet. De gedragscode is van toepassing op alle medewerkers van de gemeente Amsterdam die zelf of samen met andere werkzaamheden uitvoeren of die daartoe opdracht geven aan derden. Deze derden verklaren bij hun werkzaamheden de Gedragscode flora en fauna van de gemeente Amsterdam te onderschrijven en te volgen.

De gedragscode heeft betrekking op plannen en projecten die in opdracht van of door de gemeente Amsterdam worden voorbereid en uitgevoerd. De gedragscode betreft:

  • De voorbereiding en uitvoeren van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling;
  • Het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud.

Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van bouwwerken en of andere activiteiten zal rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van de te beschermen plant- en diersoorten, die genoemd worden in de “Checklist beschermde soorten in de Gemeente Amsterdam”, de “Handleiding Flora- en faunawet en ruimtelijke planvorming” en het “Soortenbeleid Gemeente Amsterdam” en bijbehorende doelsoortenlijst. Voor bepaalde soorten is ontheffing van de Flora- en faunawet vereist. Als de gedragscode wordt gevolgd, geldt voor een aantal soorten dat geen ontheffing nodig is.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met deze gedragscode.

5.4 Bodem

Het doel van de Wet bodembescherming is het behoud en de verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In geval van graafwerkzaamheden is een bodemonderzoek aan de orde om te bepalen of eventuele vervuilde grond gesaneerd dient te worden. De waterbodem was onderdeel van de Wet Bodembescherming, maar maakt sinds 22 december 2009 onderdeel uit van de Kaderrichtlijn Water en de Waterwet is leidend. Met het Besluit Uniforme Saneringen is het mogelijk om eenvoudige saneringen in korte tijd af te ronden.

5.4.1 Wet bodembescherming

Voor bodem en bodemverontreiniging geldt de Wet bodembescherming (Wbb), inclusief de aanvullende besluiten. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wet bodembescherming kent nieuwe gevallen van bodemverontreiniging (ontstaan na 1 januari 1986) waarbij er sprake is van een saneringsplicht die direct van kracht is. Voor oude gevallen van bodemverontreiniging is de start van de sanering afhankelijk van de ontoelaatbare risico's voor de mens, verspreiding of het milieu nu en in de toekomst. Met name de saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het (toekomstig) gebruik van de bodem. De uitvoering van deze verplichte saneringen is flexibel: het is niet altijd nodig de hele verontreiniging aan te pakken door de verontreiniging te ontgraven. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak of isoleren. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De Wbb houdt daarnaast rekening met de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De bodem wordt geschikt gemaakt voor het voorgenomen gebruik, door de blootstelling en de verspreiding van de verontreiniging te beperken en de nodige beheersmaatregelen te treffen.

Wanneer economische en maatschappelijke omstandigheden rond de verontreinigde locatie echter om uitstel vragen, kunnen tijdelijke maatregelen worden genomen, op voorwaarde dat de risico's voldoende worden beheerst.

Voor het bestemmingsplan heeft de Wet bodembescherming voornamelijk betekenis voor zover nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan. Het bestemmingsplan maakt bij recht geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, daar waar nieuwe ondergrondse (bouw-)werkzaamheden worden toegestaan dient bodemonderzoek verricht te worden.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met deze wetgeving. In het kader van het bestemmingsplan is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet aan de orde, omdat in het plangebied geen nieuwe bouwmogelijkheden in de ondergrond bij recht worden toegestaan.

5.4.2 Amsterdams Uitvoeringsprogramma Bordemsanering

Het beleidskader voor bodem in de gemeente Amsterdam is verwoord in het “Amsterdams Uitvoeringskader Bodemsanering”. De belangrijkste aspecten hierin zijn functiegericht saneren, middels isolatie of door aanbrengen van een leeflaag met een minimale kwaliteit, en het saneren van mobiele verontreinigingen. De bodemkwaliteitskaart Amsterdam, waarop zones staan met elk een eigen bodemkwaliteit, is bedoeld voor iedereen die van plan is grond toe te passen in Amsterdam. De kaarten worden in Amsterdam gebruikt voor het bepalen van de mogelijkheden van hergebruik en toepassen van

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijke beleid.

5.4.3 Nota Bodembeheer Amsterdam

De gemeenteraad van Amsterdam heeft op 4 april 2012 de “Nota Bodembeheer” vastgesteld. In de nota worden normen voor bodemkwaliteit gewaarborgd volgens het stand-still principe binnen Amsterdam, het uitgangspunt waarbij de kwaliteit van de bodem binnen de gemeentegrenzen niet verslechtert. Bij de keuze van de lokale normen is rekening gehouden met het daadwerkelijke gebruik van de bodem, de gemiddelde gehalten in een gebied en mogelijke blootstelling aan verontreiniging. Onderdeel van de nota is de bodemkwaliteitskaart, waarop Amsterdam is ingedeeld in zeven zones, gedefinieerd op basis van bodemkwaliteit en ophooggeschiedenis. Elke bodemkwaliteitszone heeft een bepaalde kwaliteit, die consequenties heeft voor het toegestane grondverzet en de kwaliteit van de grond die er op mag worden aangebracht, afhankelijk van de bodemfunctie. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als wettelijk bewijsmiddel bij grondverzet is het in veel gevallen niet nodig een bodemonderzoek uit te voeren.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijke beleid.

5.5 Water

Het Rijk, de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen hebben in februari 2001 de “Startovereenkomst Waterbeheer 21ste eeuw” ondertekend. Deze startovereenkomst is in 2003 omgezet in het Nationaal Bestuursakkoord Water dat is geactualiseerd in juni 2008. Hiermee hebben deze partijen elkaar gecommitteerd om een watertoets toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. De watertoets is wettelijk verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, waarin is bepaald dat de betrokken waterbeheerders moeten worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen en bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning die in strijd is met het bestemmingsplan. De watertoets is een instrument om dergelijke ruimtelijke plannen te toetsen op de mate waarin rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. Het gaat daarbij onder meer om aspecten als waterkwaliteit en waterkwantiteit (ruimte voor water) en veiligheid (bescherming tegen overstroming).

Het plangebied van het bestemmingsplan valt binnen het beheersgebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet voert de zorg voor het oppervlaktewatersysteem uit in opdracht van AGV. In opdracht van Amsterdam voert Waternet overige watertaken uit, met name de grondwaterzorgtaak, de zorg voor afvoer en behandeling van afvalwater, de drinkwatervoorziening en het nautisch toezicht in de Amsterdamse stadsboezem.

5.5.1 Europese Kaderrichtlijn Water (KRW)

Omdat water zich weinig aantrekt van landsgrenzen, zijn internationale afspraken nodig. Sinds eind 2000 is daarom de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Om dit te bereiken moeten de landen van de Europese Unie een groot aantal maatregelen nemen. Enerzijds om de kwaliteit van de 'eigen' wateren op peil te brengen, anderzijds om ervoor te zorgen dat andere landen geen last meer hebben van de verontreinigingen die hun buurlanden veroorzaken.

5.5.2 Nationaal Waterplan (NWP)

Het Nationaal Waterplan (NWP) is het rijksplan voor het waterbeleid. Het NWP beschrijft de maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Ook is een eerste beleidsmatige uitwerking van het advies van de Deltacommissie opgenomen in dit Nationaal Waterplan.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit Rijksbeleid.

5.5.3 Provinciaal Waterplan 2010 - 2015

Provinciale Staten hebben op 16 november 2009 het “Provinciaal Waterplan 2010-2015” vastgesteld. Het motto van het Waterplan is beschermen, benutten, beleven en beheren van water. De klimaatverandering, het steeds intensievere ruimtegebruik in Noord-Holland en de toenemende economische waarde van wat beschermd moet worden, vragen om een herbezinning op de waterveiligheid, het waterbeheer en de ruimtelijke ontwikkeling.

In het Waterplan wordt per thema behandeld wat de provincie zelf doet tot en met 2015 en wat de provincie verwacht van Rijk, Rijkswaterstaat, waterschappen, gemeenten, terreinbeheerders en bedrijfsleven. De provincie versterkt de uitvoering van het plan en bewaakt de voortgang door samen met haar partners een uitvoeringsprogramma voor de hele planperiode op te stellen.

In het Waterplan worden vier uitgangspunten gehanteerd:

  • Klimaatbestendig waterbeheer: De waterkeringen, het watersysteem en de ruimtelijke inrichting moeten voorbereid zijn op de gevolgen van klimaatverandering;
  • Water mede sturend in de ruimte: Water is een belangrijke sturende factor in de ruimtelijke ontwikkeling. Op sommige plekken, zoals in de omgeving van dijken, is water vanwege de veiligheid zelfs het belangrijkste sturende element. Elders is water volgend in de ruimtelijke afweging;
  • Centraal wat moet, decentraal wat kan: Met de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening is 'centraal wat moet, decentraal wat kan' de nieuwe sturingsfilosofie van het Rijk die de provincie overneemt. De uitgangspunten van deze vernieuwingen zijn: minder regels, meer uitvoeringsgericht, modernisering en stroomlijning van de regels;
  • Gebiedsgerichte en resultaatgerichte benadering: Het Noord-Hollandse landelijk gebied zoals dat nu ervaren wordt is het resultaat van het leven met en de strijd tegen water. Daarbij moet worden gedacht aan de terpen, dijken, molens en droogmakerijen. Sinds 2007 heeft de provincie dankzij het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) een belangrijke regierol voor de inrichting en het beheer van het landelijk gebied. Met het Rijk heeft de provincie uitvoeringsafspraken gemaakt voor de periode 2007-2013. De uitvoering van het waterbeleid vraagt maatwerk via een gebiedsgerichte aanpak.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit provinciaal beleid.

5.5.4 Waterbeheerplan 2016-2021

Het Waterbeheerplan 2016-2021 is het kompas voor Waterschap Amstel, Gooi en Vecht voor de komende zes jaar. Hierin staat wat het Waterschap doet aan veiligheid, de beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en aan efficiënte zuivering van afvalwater. Ook zet het waterschap zich in voor het behoud van cultuurhistorisch erfgoed en de natuur. Het waterbeheerplan is op 8 oktober 2015 goedgekeurd door het Algemeen Bestuur van het waterschap en is vanaf 1 januari 2016 van kracht.

5.5.5 Keur AGV

De Waterschapswet zegt in artikel 78 dat het waterschap verordeningen mag opstellen voor de "behartiging van aan het waterschap opgedragen taken". In december 2011 is de Keur van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) inwerking getreden. De taak van het waterschap is om te zorgen voor een veilig en gezond watersysteem. Volgens de Waterwet gaat het daarbij om drie hoofddoelstellingen:

  • Voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste;
  • Beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen
  • Vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

Om deze doelen te kunnen realiseren beschikken de waterschappen over een eigen verordening, die van oudsher de Keur heet. De Keur kent ‘verboden’ en ‘geboden’ voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers en wateren. De Keur is een belangrijk instrument voor het waterschap om activiteiten in en rond het watersysteem in goede banen te leiden en te zorgen dat ze geen gevaar op kunnen leveren voor het watersysteem. Dit maakt het mogelijk om het watersysteem en de keringen voor méér te gebruiken dan alleen voor bescherming tegen wateroverlast en het creëren van een ecologisch gezond watersysteem.

5.5.6 Legger

De legger is een openbaar register van AGV waarin wordt bepaald aan welke eisen (diepte, hoogte, sterkte etc.) de wateren, dijken en kunstwerken moeten voldoen. Het is een openbaar register van het waterschap en dient als uitwerking van de Keur.

5.5.7 Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam

De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor drie watertaken. Deze zogenaamde zorgplichten betreffen:

  • de inzameling en transport van stedelijk afvalwater;
  • de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater;
  • het nemen van grondwatermaatregelen in openbaar gebied.

In het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterda, 2016-2021 staat hoe deze drie zorgplichten door de gemeente Amsterdam worden ingevuld. Doel van het plan is om aan het bevoegd gezag te verantwoorden op welke wijze de gemeente Amsterdam haar watertaken uitvoert, en in hoeverre zij afdoende middelen heeft om dit in de toekomst te blijven doen. Hiermee voldoet de gemeente aan de planverplichting zoals die in de Wet milieubeheer (artikel 4.22) is opgenomen.

De primaire doelen van de gemeentelijke watertaken zijn:

  • het beschermen van de volksgezondheid;
  • het bijdragen aan schoon en helder water;
  • het zorgen voor droge voeten;
  • het zorgen voor een goede leefomgeving.

Per gemeentelijke watertaak is de algemene beleidslijn aangegeven. De algemene uitgangspunten zijn:

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0058.png"

Het bestemmingsplan voldoet aan deze algemene uitgangspunten.

5.5.8 Verordening op het Binnenwater

Op 1 februari 2010 is de gemeentelijke Verordening op het binnenwater (VOB) in werking getreden. In de verordening is aangegeven dat het water en de stad Amsterdam onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Het 'blauwe goud' is een kenmerkende en waardevolle kwaliteit van de stad. In de verordening is een driedeling gemaakt in de verantwoordelijkheden voor het water:

  • Water als transportsysteem (nautisch vaarwegbeheer): De scheepvaart over de vaarwegen vraagt om een nautische (verkeerstechnische) ordening (vaarrichting, afmeerverbod, et cetera). In grote lijnen is de stad verdeeld over twee gemeentelijke nautische beheerders, te weten het Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied over het havengebied en de dienst Binnenwaterbeheer (tegenwoordig: Waternet) over het binnenwater. De VOB vormt een (gemeentelijke) aanvulling op de landelijke wet- en regelgeving die de nautische beheerders tot hun beschikking hebben voor het toezicht op een vlot en veilig verloop van het scheepvaartverkeer;
  • Water als onderdeel van de openbare ruimte: Water maakt onderdeel uit van de openbare ruimte. Stadsdelen zijn verantwoordelijk voor de inrichting en het beheer van de openbare ruimte. Op basis van de VOB zijn stadsdelen bevoegd om vergunningen af te geven voor het afmeren van woonboten, bedrijfsvaartuigen, objecten en het aanleggen van steigers. Hierbij moeten de voorwaarden van de waterbeheerder (de Keur) en de nautisch vaarwegbeheerder (bijvoorbeeld doorvaartprofielen) in acht worden genomen;
  • Water als 'fysiek systeem' (waterbeheer): Waterbeheerders beheren de kwantiteit en kwaliteit van het watersysteem. Het Rijk en de provincie zijn hier bevoegd gezag, waarbij taken op- of overgedragen zijn aan respectievelijk Rijkswaterstaat of aan waterschappen. Het waterbeheer valt buiten de gemeentelijke bevoegdheden - en dus buiten de VOB.

De VOB bevat geen inhoudelijke bepalingen die betrekking hebben op de ruimtelijke inrichting, bijvoorbeeld of een woonboot ergens permanent mag worden afgemeerd. Hiertoe zijn veeleer de Wet op de ruimtelijke ordening en het bestemmingsplan de aangewezen juridische instrumenten. Bij afgifte van een ligplaatsvergunning toetst het bestuursorgaan vervolgens (onder andere op basis van het bestemmingsplan) of dit vanuit de optiek van de ruimtelijke ordening is toegestaan.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid.

5.5.9 Waterparagraaf

Proces waterparagraaf

Het Rijk, de provincies, gemeenten en waterschappen hebben in februari 2001 de 'Startovereenkomst Waterbeheer 21ste eeuw' ondertekend. Hierin is vastgelegd dat de betrokken partijen de 'Watertoets' toepassen op alle relevante ruimtelijke plannen met waterhuishoudkundige consequenties. In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de betrokken waterbeheerders moeten worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen. De Watertoets is een instrument om ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, te toetsen op de mate waarin rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. Het gaat daarbij onder meer om aspecten als waterkwaliteit (ruimte voor water) en waterkwantiteit en veiligheid (overstroming). Bij het voorliggende bestemmingsplan is de waterbeheerder (Waternet) betrokken bij de voorbereiding van het bestemmingsplan.

Uitwerking Waterparagraaf

Waterkeringen

In het plangebied bevinden zich geen waterkeringen. De secundaire indirecte verholen keringen op de kaart van de Keur bevindt zich aan de noordzijde van de Singelgracht (Stadsdeel Centrum) en aan de westzijde van de Boerenwetering. In het midden van de Pijp is een boezemgemaal aanwezig en aan de Amstel is aangegeven dat hier sprake is van "laag gelegen gebied".

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0059.jpg" Afbeelding 51: uitsnede kaart Keur AGV

Waterberging

Bij een toename van de oppervlakte verharding van 1.000 m² en meer dient de toename aan verharding gelet op de Keur 2011 te worden gecompenseerd in de vorm van 10-20% oppervlaktewater of alternatieve vormen van waterberging. Demping van oppervlaktewater moet voor 100% worden gecompenseerd. Als binnen het plangebied geen mogelijkheid is voor het creëren van compensatie dient elders in hetzelfde peilvak gecompenseerd te worden.

In het kader van dit bestemmingsplan is geen sprake van demping van oppervlaktewater, compensatie is daarom niet noodzakelijk.

Waterkwaliteit

Gebruik materialen

Op basis van de Keur is het niet toegestaan om initiatieven te ontplooien die leiden tot een verslechtering van de (grond)waterkwaliteit. Het gebruik van uitlogende materialen zoals lood, zink en koper beïnvloedt de kwaliteit van regen- en oppervlaktewater negatief en is daarom niet toegestaan.

Riolering, hemelwaterafvoer

Schoon hemelwater afkomstig van schone dakoppervlakken wordt zoveel mogelijk hergebruikt, geïnfiltreerd in de bodem of vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater via een vegetatiedak. Het aanleggen van nieuwe gemengde rioolstelsels is in principe niet toegestaan.

Grondwaterzorgtaak namens gemeente Amsterdam

Grondwateroverlast dient te worden voorkomen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet vaak met geohydrologisch onderzoek zijn aangetoond dat wordt voldaan aan de grondwaternorm en dat in omliggende, bestaande wijken de grondwaterstand niet verslechtert. In overleg met Waternet kan worden bepaald of en zo ja wat voor geohydrologisch onderzoek nodig is voor concrete ondergrondse ontwikkelingen. De grondwaternorm voor nieuw te realiseren bouwlocaties is vastgesteld in het “Plan gemeentelijke watertaken” en luidt: "Daar waar zonder kruipruimte gebouwd wordt mag de grondwaterstand niet vaker dan gemiddeld eens per twee jaar, niet langer dan 5 dagen achtereen minder dan 0,5 meter onder het maaiveld staan". Waar met kruipruimtes wordt gebouwd geldt een norm van 0,9 meter.

  • Kelders en souterrains: Kelders, souterrains en andere ondergrondse bouwwerken moeten waterdicht worden uitgevoerd. Ondergrondse werken mogen een vrije afstroming van grondwater naar het oppervlaktewater niet belemmeren. Aangetoond moet worden, indien noodzakelijk aan de hand van geohydrologisch onderzoek, dat de ondergrondse constructie geen nadelige gevolgen heeft op de grondwaterstanden in de omgeving. In dit bestemmingsplan is ondergronds bouwen toegestaan na een wijziging van het bestemmingsplan. Eén van de voorwaarden daarbij is dat ondermeer de diensten die zijn belast met het waterbeheer, geen bezwaar hebben tegen de ontwikkeling. Op deze wijze zijn de waterhuishoudkundige belangen geborgd.
  • Drainage: Het aanbrengen van drainage is niet toegestaan vanwege de kans op verstoppingen en het permanent lozen op het oppervlaktewater.

Nautiek

Waternet heeft namens de gemeente Amsterdam het nautische toezicht in de Amsterdamse grachten en vaarten. Bij de plannen langs het IJ en Noordzeekanaal dient rekening te worden gehouden met de taak van Waternet (voormalig BBA) voor het bevorderen van een veilige, vlotte en doelmatige afwikkeling van het scheepvaartverkeer. Ook voor woonboten geldt dat deze geen belemmering voor het scheepvaartverkeer mogen vormen. Waternet houdt daarom in de grachten van Amsterdam niet alleen in het kader van de regelgeving AGV, toezicht op woonboten. Ook in het kader van Nautiek is Waternet bevoegd op te treden tegen woonboten die niet voldoen aan de eisen. In het plangebied liggen geen woonboten.

5.6 Geluid

5.6.1 Wet geluidhinder

In de Wet geluidhinder zijn sinds het eind van de jaren '70 de wetten en regels voor het bestrijden en voorkomen van geluidhinder ten gevolge van wegverkeer, railverkeer en industrie vastgelegd. In de Wet geluidhinder is het begrip zone geïntroduceerd om de kans op geluidoverlast zoveel mogelijk te voorkomen. Een zone kan worden gezien als een aandachtsgebied voor geluid langs of rond een geluidsbron, waarbinnen gestreefd moet worden naar een akoestisch optimale situatie.

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet de aandacht worden gericht op geluidsgevoelige functies en dienen de daarvoor geldende grenswaarden in acht te worden genomen. Daarbij is sprake van een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens, de maximale grenswaarde. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd bij de toetsing, moeten maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting terug te brengen. De akoestische berekeningen moeten voldoen aan de regels die zijn vastgelegd in reken- en meetvoorschriften. Het bevoegd gezag kan ook een zogenaamde hogere grenswaarde dan de voorkeursgrenswaarde vaststellen. Die vast te stellen hogere waarden mogen niet hoger zijn dan de maximale grenswaarden.

Slechts in onderstaande gevallen kan gemotiveerd, en zo min mogelijk, gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om hogere grenswaarden vast te stellen voor woningen en andere geluidsgevoelige objecten:

  • Indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidsbelasting van de gevel van de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige objecten tot de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, onvoldoende doeltreffend zal zijn;
  • Indien geluidsmaatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeers- en vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoet.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met deze wetgeving.

5.6.2 Amsterdams geluidbeleid 2016

Op 12 juli 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders (B&W) het 'Amsterdams Geluidbeleid 2016, hogere waarde Wet geluidhinder' vastgesteld, waarmee het beleid 'Vaststelling hogere grenswaarden Wet geluidhinder, Amsterdams beleid' (2007)' is geactualiseerd en herijkt.

Volgens de Wet geluidhinder mogen woningen worden gebouwd als de geluidbelasting op de gevel niet hoger is dan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. B&W is bevoegd om een hogere waarde vast te stellen (tot de maximale hogere waarde als bepaald in de Wet geluidhinder). In het Amsterdams geluidbeleid is beschreven onder welke voorwaarden het vaststellen van hogere waarden aanvaardbaar is. In de Wet geluidhinder is geregeld dat geen woningen mogen worden gebouwd als de maximale waarde overschreden wordt, tenzij de woning wordt uitgevoerd met een dove gevel. Een dove gevel is een gevel zonder of alleen bij uitzondering te openen delen (zoals een nooduitgang). Het Amsterdams geluidbeleid is minder streng dan de Wet geluidhinder. Het geluidbeleid geeft mogelijkheden voor onderbrekingen in de dove gevel waarin de wet niet voorziet en biedt daarmee voor de bouw van woningen (en andere geluidgevoelige gebouwen) meer mogelijkheden dan landelijke regelgeving feitelijk toestaat.

Doel van het geluidbeleid

Het doel van het geluidbeleid is het borgen van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de bouw van woningen (en andere geluidgevoelige gebouwen) op geluidbelaste locaties. Van belang voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is tenminste het rustig kunnen slapen met een geopend raam in het slaapvertrek. De slaapvertrekken bevinden zich dan ook bij voorkeur aan de stille zijde zodat met open raam geslapen kan worden. De verplichting van de stille zijde wijkt niet af van het geluidbeleid 2007. Door het doel van het geluidbeleid centraal te stellen wordt het verzoek hogere waarde getoetst aan het doel. In het geluidbeleid wordt een aantal middelen als voorbeeld genoemd waarmee dit doel bereikt kan worden. Het kan voorkomen dat nieuwe (innovatieve) oplossingen voorgesteld worden om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te realiseren. Dit betekent dat ook voorgestelde middelen die niet als zodanig in nieuwe geluidbeleid beschrijven zijn, toch binnen de kaders van het geluidbeleid vallen. Het Technisch Ambtelijk Vooroverleg Geluidhinder Amsterdam (TAVGA) zal hierover adviseren.

Stille zijde

Het Amsterdams geluidbeleid eist bij de vaststelling van hogere waarden in principe een geluidluwe of stille zijde bij een woning. Als de woning met een dove gevel wordt uitgevoerd is een stille zijde verplicht. Bij andere geluidgevoelige gebouwen dan woningen geldt de verplichting van een stille zijde niet. Een stille zijde (of stille gevel) is de gevel waar de geluidbelasting op het te openen deel ten hoogste de voorkeursgrenswaarde volgens de Wet geluidhinder bedraagt. Volgens de Wet geluidhinder wordt de geluidbelasting per bron beoordeeld. Volgens de Wet geluidhinder is cumulatie aan de orde als het geluidgevoelig object in de zone van twee of meer bronnen ligt: dan moet gemotiveerd worden hoe met de samenloop van bronnen rekening is gehouden. In het geluidbeleid is aangegeven wanneer er van deze verplichting tot het realiseren van een stille zijde kan worden afgeweken, bijvoorbeeld bij kleine woningen voor jongeren of studenten die verhuurd worden met tijdelijke huurovereenkomsten of campuscontracten. Anders dan in het voorgaande geluidbeleid staat het nieuwe geluidbeleid een geringe overschrijding van de voorkeursgrenswaarde bij een stille zijde toe. Dat met deze beperkte overschrijding toch een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt bereikt dient gemotiveerd te worden. Volgens wettelijke bepalingen moet bij een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde een hogere waarde worden vastgesteld.

Stille buitenruimte

De stille buitenruimte wordt in het nieuwe beleid beschreven als een extra kwaliteit van een woning. Er is geen sprake van een nieuwe verplichting ten opzichte van het Amsterdams geluidbeleid 2007. Het voorstel lijkt nieuw in het Amsterdams geluidbeleid, maar is een invulling van het begrip 'stille gevel'. Als elk punt op een gevel stil is, kan ook de buitenruimte als stil worden beschouwd. Als een gevel echter door afscherming maar gedeeltelijk stil is, volgt uit het doel van het beleid (een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat) dat ook de buitenruimte stil moet zijn op een plek waar de bewoner verblijft. Materieel gezien is dit dus niet te beschouwen als nieuw beleid in het Amsterdams geluidbeleid.

Dove gevel

Voorbeelden voor mogelijke onderbrekingen van de dove gevel worden beschreven. De huidige uitvoeringspraktijk is hierbij leidend. Het Amsterdams geluidbeleid 2016 sluit andere acceptabele onderbrekingen niet uit. Deze kunnen worden voorgelegd en besproken bij het Technisch Ambtelijk Vooroverleg Geluidhinder Amsterdam (TAVGA). TAVGA zal dit betrekken in de advisering.

  • a. Volgens de huidige uitvoeringspraktijk zijn onderbrekingen van de dove gevel toegestaan met verglaasde balkons, serres en loggia's. Deze voorzieningen mogen uitgevoerd worden met te openen delen. In de bouwbrieven was niet aangegeven hoe groot deze te openen delen mochten zijn. Volgens de notitie herijking mochten de afgeschermde buitenruimten worden uitgevoerd met panelen die gedeeltelijk of in het geheel kunnen worden weggeschoven. Formeel zijn te openen delen in een dove gevel in strijd met wettelijke bepalingen. Een te openen deel van ten hoogste 50% van het oppervlak wordt echter een acceptabel geacht omdat de bewoner zo de keuze heeft het verglaasd balkon of de loggia geheel te sluiten of te openen.
  • b. In principe is een (voor)deur in een dove gevel niet mogelijk en in strijd met landelijke regelgeving. Het Amsterdams geluidbeleid staat een voordeur in een dove gevel toe als achter de voordeur geen sprake is van een ruimte waarop de toegangsdeuren op de geluidgevoelige ruimte uitkomen bij bestaande bouw en bij transformatie van functies. Bij nieuwbouw geldt dat in principe geen voordeur in een dove gevel wordt toegestaan. In uitzondering hierop is een voordeur acceptabel als deze deur niet op (een deel van) de woning uitkomt (bijvoorbeeld: een gemeenschappelijk trappenhuis; de woningscheidende deur bevindt zich in de gemeenschappelijke ruimte).
  • c. Het coulissenscherm als ook de tweede gevel bij transformatie zijn in het beleid beschreven als alternatieven voor een dove gevel.

Buitenlucht en capaciteitsbepaling

Bij capaciteitsbepaling wordt verwezen naar de spuiventilatie van de woning volgens eisen bouwbesluit.

Akoestisch onderzoek, berekeningswijzen

Het Amsterdams geluidbeleid geeft aan op welke wijze de geluidbelasting op de gevel berekend wordt. In principe kan gerekend worden met modellen gebaseerd op de Standaard Rekenmethoden. Bij bijzondere afschermende constructies kunnen gespecialiseerde modellen worden gebruikt.

Interpretatie en afwijken van beleid

Gebleken is dat de knelpunten vooral interpretatie van beleid in de uitvoeringspraktijk betroffen. In het nieuwe beleid is aangegeven wat te doen bij vragen over de interpretatie en de expliciet de mogelijkheid gegeven af te wijken van het beleid. Op zwaar en/of complexe geluidbelaste locaties (Zuidas of transformatie) is het niet uitgesloten dat een afwijking van beleid noodzakelijk is.

Aandachtspunten

De voorgestelde onderbrekingen van de dove gevel verdienen extra aandacht. Volgens landelijke regelgeving valt een gevel niet onder de bescherming van de Wet geluidhinder als deze als dove gevel is uitgevoerd. Kort gezegd is een dove gevel een gevel met alleen bij uitzondering te openen delen. Volgens de toelichting is een bij uitzondering te openen deel bijvoorbeeld een nooduitgang.

In de bestaande uitvoeringspraktijk (bouwbrieven) werden onderbrekingen in de dove gevel toegestaan. Zo kon een dove gevel onderbroken worden met afgeschermde buitenruimten zoals serres, loggia's en verglaasde balkons. Deze afgeschermde buitenruimten mochten worden voorzien van wegschuifbare panelen. In het nieuwe beleid is dit niet anders. Het beleid 2007 liet de vraag over de grootte/afmetingen van deze wegschuifbare panelen onbeantwoord. Het nieuwe beleid geeft aan dat de buitenruimten mogen worden uitgevoerd met volledig wegschuifbare panelen indien een hogere waarde is toegekend, en een opening van maximaal 50% als de maximaal toelaatbare waarde is overschreven (d.w.z. bij een formeel dove gevel). Voorwaarde is, was en blijft dat bij gesloten panelen er buitenluchtkwaliteit heerst in de buitenruimte. Bij geopende panelen in een overigens dove gevel kan de geluidbelasting op de gevel achter de panelen de maximale ontheffingswaarde overschrijden. Wettelijk valt te verdedigen dat een opening maximaal zo groot mag zijn dat de maximale waarde op de achterliggende gevel niet wordt overschreden. Een te openen deel van ten hoogste 50% wordt echter acceptabel geacht. In dit verband is van belang is dat het de woningkwaliteit ten goede komt als een bewoner keuzevrijheid wordt gelaten om het raam meer of minder te openen.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit stedelijk beleid.

5.6.3 Actieplan Geluid 2015-2018

De Europese Unie verplicht stedelijke gebieden om, op basis van de EU richtlijn omgevingslawaai, elke vijf jaar een geluidskaart en een actieplan geluid op te stellen. De richtlijn richt zich specifiek op de geluidbronnen rail, wegverkeer, industrie en luchtvaart. Het college van burgemeester en wethouders heeft in 2013 de nieuwe Amsterdamse geluidskaart vastgesteld. Uit de geluidskaart blijkt dat van de bovenstaand genoemde geluidbronnen de het verkeer veruit tot de hoogste (ernstige) hinder leidt. In het plan wordt daarom vooral aandacht besteed geluidhinder door het wegverkeer.

De belangrijkste in het plan opgenomen maatregelen zijn:

  • Via het programma Sanering Verkeerslawaai worden woningen die een te hoge geluidbelasting ondervinden (geluid-)geïsoleerd. Het gaat om woningen die al bij de invoering van de Wet geluidhinder een te hoge geluidbelasting ondervonden en die in aanmerking komen voor rijkssubsidie voor maatregelen als de toepassing van dubbel glas;
  • In Amsterdam wordt vanuit luchtkwaliteit fors ingezet op het stimuleren van elektrisch vervoer. Deze maatregel richt zich op de verbetering van de luchtkwaliteit maar heeft op termijn ook veel potentie voor de beperking van geluidoverlast. Omdat luchtmaatregelen veelal ook een positief effect hebben op de geluidbelasting zal in de planperiode nauw worden aangesloten bij het gemeentelijk beleid voor luchtkwaliteit;
  • Bij de concessieverlening voor het stedelijk wagenpark worden afspraken gemaakt voor het gebruik van de nieuwste generatie “beste” banden”, deze zijn niet alleen stiller maar zijn ook veiliger en ze hebben een positieve invloed te hebben op het benzinegebruik. De energiebesparing kan lopen tot 5%, waarmee er ook winst is voor de luchtkwaliteit. Voor het eigen wagenpark wordt een pilot gehouden om deze positieve effecten in de praktijk aan te tonen;
  • In Amsterdam wordt Geluidreducerend asfalt toegepast 'waar dit civieltechnisch mogelijk is'. Op veel plaatsen in Amsterdam is dit niet mogelijk doordat er sprake is van verhoogde slijtage vanwege zwaar en 'wringend' verkeer. Op basis van het onderhoudsprogramma zijn twee wegdelen (Mauritskade en Amstelveenseweg) geselecteerd die in aanmerking lijken te komen voor geluidreducerend asfalt. Voor deze wegen wordt een nadere afweging opgesteld. Beide wegdelen liggen buiten dit bestemmingsplangebied. Ook wordt een gemeentelijk afwegingskader opgesteld voor de toepassing van geluidreducerend asfalt in de periode na 2017;
  • Brom- en snorfietsen veroorzaken bijna twee keer meer ernstige geluidhinder dan alle auto's samen. Binnen het Amsterdamse brom- en snorfietsbeleid ligt de nadruk op het aanpakken van (lawaaiige) opgevoerde voertuigen, vooral via rollerbank controles. Hiermee wordt ook de geluidoverlast effectief aangepakt;
  • Voor trams worden maatregelen uitgevoerd aan de trams (geluiddempers, flenssmering) en aan de infrastructuur (uitbreiding aantal kopsmeerinstallaties, beperking geluid beweegbare bruggen);
  • Aan het bouwen op geluidbelaste locaties in Amsterdam worden eisen gesteld vanuit het Amsterdamse geluidbeleid (het zogenaamde 'hogere waarden beleid'). Een belangrijk uitgangspunt is dat wanneer er hogere waarden worden vastgesteld in principe elke woning voorzien moet zijn van een stille zijde.

De in dit gemeentelijk beleid opgenomen maatregelen staan los van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het Amsterdams geluidbeleid (zie boven).

5.6.4 Akoestisch onderzoek

Onderzoek volgt in ontwerpbestemmingsplan

5.7 Luchtkwaliteit

Luchtkwaliteit is op meerdere gebieden van belang. Zo dient een bestemmingsplan geen ontwikkelingen mogelijk te maken die in betekende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Maar een bestemmingsplan mag ook geen luchtkwaliteitgevoelige voorzieningen toestaan in de directe nabijheid van belangrijkere verkeersaders. Ten aanzien van het in betekende mate bijdragen: het bestemmingsplan zal de bestaande ruimtelijke situatie “bevriezen”, waardoor het aantal ontwikkelingen dat een invloed kunnen hebben op de luchtkwaliteit, tot een minimum worden beperkt. Het bestemmingsplan zal derhalve niet in betekende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is nader onderzoek niet nodig.

Ten aanzien van luchtkwaliteitgevoelige voorzieningen (scholen, verzorgingshuizen, kinderopvang, etc.) is het van belang dat deze niet dicht bij een Rijksweg (300 meter) of een Provinciale weg (50 meter) liggen (Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)).

5.7.1 Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam 2005

Op 1 maart 2006 is de gemeenteraad akkoord gegaan met het “Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam 2005”. Dit actieplan kent als doel het oplossen van de bestaande knelpunten ten aanzien van de luchtkwaliteit in de stad. De drie centrale uitgangspunten van dit actieplan zijn:

  • Het beschermen van de gezondheid van mensen staat centraal;
  • Amsterdam houdt vast aan het concentratiebeleid ten aanzien van het hoofdnet auto;
  • Amsterdam houdt vast aan het beleid met betrekking tot de compacte stad.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit stedelijk beleid.

5.7.2 Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit Amsterdam

Zie hiervoor paragraaf 4.4.2.8.
In de richtlijn gevoelige bestemmingen wordt het 'nee, tenzij'-principe gehanteerd. Dit betekent dat van de richtlijn gemotiveerd kan worden afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Daarbij moet expliciet aandacht worden besteed aan de relatie tussen gezondheid en luchtkwaliteit. Als langs een drukke weg vestiging van een gevoelige bestemming gewenst is, is het verplicht om een toetsing te laten uitvoeren door de Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GGD) van de gemeente Amsterdam. De uitkomst van deze toetsing (en eventueel daaruit voortvloeiende aanbevelingen) moeten binnen het kader van besluitvorming over het project aan het bevoegd gezag kenbaar worden gemaakt. Indien het bevoegd gezag de eventuele aanbevelingen van de GGD niet overneemt, dan wordt dit schriftelijk met redenen omkleed beargumenteerd. Een en ander is in het bestemmingsplan vertaald door in de panden met een gebiedsaanduiding de vestiging van maatschappelijke dienstverlening mogelijk te maken door middel van een afwijkingsbevoegdheid. Voorwaarde daarbij is dat het initiatief is getoetst door de GGD.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid. Het bestemmingsplan valt in de categorie 'niet in betekenende mate' waardoor toetsing aan de grenswaarden Wet luchtkwaliteit niet nodig is.

5.8 Veiligheid

5.8.1 Nota Nuchter Omgaan met Risico's (NOR)

Bij het beheersen van milieurisico's zal de politiek regelmatig een afweging moeten maken tussen rechtvaardigheid en betaalbaarheid (doelmatigheid). Hiervoor is door het RIVM een systematiek ontwikkeld. Dit staat in het rapport 'Nuchter omgaan met risico's' dat op verzoek van de toenmalige staatssecretaris Van Geel is geschreven. De systematiek biedt handvatten om op een transparante en te verantwoorden manier tot beschermingsniveaus te komen, afhankelijk van de beleving van risico's door de burger en de kosten van risicovermindering. Centraal in de gepresenteerde aanpak staat een zogenaamde 'risicoladder' om verschillende soorten risico's te typeren. Hiermee kan de overheid bewuste keuzes maken tussen de kosten van een mogelijke ingreep (doelmatigheid) en het oorspronkelijke uitgangspunt van het recht op risicobescherming voor iedereen.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit Rijksbeleid.

5.8.2 Provinciaal beleid externe veiligheid

In het “Provinciaal Milieubeleidsplan 2002-2006” heeft de provincie Noord-Holland beleid beschreven omtrent externe veiligheid. Aan de productie, het gebruik, de opslag en het transport (over weg, water, spoor en door buisleidingen) van gevaarlijke stoffen (bijvoorbeeld chloor, ammoniak, benzine, kerosine, LPG/autogas) zijn risico's verbonden. Er bestaat een kleine kans dat deze stoffen vrij kunnen komen waardoor bijvoorbeeld giftige gaswolken of een explosie ontstaat. Ook de risico's vanwege vliegtuigen vallen onder het externe veiligheidsbeleid. Al deze potentiële risicobronnen worden ook wel risicovolle activiteiten genoemd.

Het doel van het beleid is: het beheersen, maar ook minimaliseren voor aanwezigen in de omgeving van risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's rond luchthavens en het voorkomen van nieuwe knelpuntsituaties.

De mogelijkheden voor het beperken van risico's bestaat uit twee soorten beleid: brongericht of omgevingsgericht. Brongericht beleid is gericht op maatregelen bij de bron en het verminderen van de kans van optreden en het effect van een incident. Omgevingsgericht beleid is gericht op terughoudendheid van het bouwen van kwetsbare bestemmingen in de omgeving van risicovolle activiteiten en transportassen van gevaarlijke stoffen. Om effectief omgevingsbeleid te kunnen voeren is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de locaties waar risicovolle objecten zijn en risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daartoe heeft de provincie een risicokaart opgesteld. De risicokaart geeft inzicht in de risico's in woon- en werkomgevingen. Op de kaart staan meerdere typen 'mogelijke' rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit provinciaal beleid.

5.8.3 Externe veiligheid Inrichtingen

Op 28 oktober 2004 is het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi) van kracht geworden. In het Besluit zijn richtlijnen opgenomen voor het bouwen en handhaven van gevoelige bestemmingen zoals woningen in de buurt van inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd en/of opgeslagen. In het Besluit is onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico:

  • Plaatsgebonden risico: Voor het plaatsgebonden risico zijn grenswaarden vastgesteld, waarvan niet mag worden afgeweken. Dit houdt in dat voor bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd en/of opgeslagen, waaronder LPG stations, moet worden berekend waar de risicocontouren lopen. Voor het plaatsgebonden risico is de contour 10 -6 (kans 1 op 1 miljoen) per jaar vastgesteld als grenswaarde. Nieuwe gevoelige bestemmingen mogen uitsluitend buiten deze 10 -6 contour worden gebouwd. Situaties waarbij gevoelige bestemmingen binnen de 10 -6 contour liggen, moeten binnen de in het Besluit genoemde termijnen worden gesaneerd.
  • Groepsgebonden risico (GR): Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe hoog het totale aantal slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Voor het groepsrisico is in het Besluit geen norm vastgelegd, maar van overheden wordt verwacht dat zij zich rekenschap geven van elke verandering in het groepsrisico dat wordt veroorzaakt door bedrijven en ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicovolle activiteiten. De in het beleid inzake externe veiligheid gehanteerde waarde voor het groepsrisico is een buitenwettelijke oriëntatiewaarde. In de toelichting bij het Besluit is aangegeven dat bij vaststelling van ondermeer bestemmingsplannen inzicht moet worden gegeven in de hoogte van het groepsrisico en in hoeverre de in het bestemmingsplan voorgestelde ontwikkelingen bijdragen aan een wijziging van het groepsrisico. De verantwoordingsplicht voor het groepsrisico bestaat uit de volgende stappen:
  • Vaststellen van de bestaande risico's van de huidige situatie;
  • Vaststellen van het risico voor nieuwe situaties na realisatie van RO- en vervoersontwikkelingen;
  • Ruimtelijke onderbouwing van het plan;
  • Maatregelen ter beperking van de risico's (bronmaatregelen);
  • Mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid.

Inrichtingen

Er bevinden zich binnen het plangebied en direct buiten het plangebied geen risicovolle bedrijven die onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) vallen. In of rondom het bestemmingsplangebied bevinden zicht geen LPG-stations of andere risico-bedrijven. Aangezien deze inrichtingen met dit bestemmingsplan ook niet mogelijk worden gemaakt, worden de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico en de oriënterende waarde voor het groepsrisico nergens overschreden.

Vuurwerk

In het plangebied is één vuurwerkverkooppunt aanwezig: Lutmastraat 169 (opslag tot maximaal 2.000 kg consumentenvuurwerk).

Bij de vaststelling van het bestemmingsplan moeten de veiligheidsafstanden die in bijlage 3 van het Vuurwerkbesluit zijn opgenomen worden toegepast. Dit volgt uit artikel 4.2 lid 1 onder a. van het Vuurwerkbesluit. Binnen het bestemmingsplan moet daarom, gemeten vanaf de bewaarplaats in voorwaartse richting, tot een kwetsbaar object en een geprojecteerd kwetsbaar object een veiligheidsafstand van ten minste 8 meter in acht te worden genomen. Maar er volgt ook uit het vuurwerkbesluit dat van deze veiligheidafstand afgezien mag worden indien er een scheidingsconstructie aanwezig is:

  • d. waarvan de brandwerendheid niet lager is dan 60 minuten;
  • e. waarin zich geen opening, raam of deur bevindt;
  • f. die, voor zover het een verticale scheidingsconstructie betreft, vervaardigd is van metselwerk, beton of cellenbeton.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0060.jpg"

Afbeelding 52: vuurwerkopslag Ferdinand Bolstraat 22 (Bestemmingsplan Noord-Zuidlijn De Pijp) en Lutmastraat 169.

Bij dit vuurwerkverkooppunt wordt het vuurwerk tijdens de verkoopdagen bewaard in een brandwerende kluis van minimaal 60 minuten. Daarom hoeft in dit bestemmingsplan geen rekening gehouden te worden met de veiligheidsafstand van 8 meter.

Reguleren verkooppunten

In het bestemmingsplan kan het aantal verkooppunten worden gereguleerd en/of kan de verkoop in bepaalde gebieden worden uitgesloten. Indien het vanuit ruimtelijk perspectief ongewenst wordt geacht dat in een bepaald gebied vuurwerkopslag en verkoop plaatsvindt, kan dit in het bestemmingsplan worden uitgesloten.

In Amsterdam wordt het aantal vuurwerkpunten gereguleerd in de “Amsterdamse Richtlijn Verkoopvergunningen Vuurwerk”. Deze richtlijn is opgesteld op grond van bepalingen uit de APV en richt zich op de spreiding van vuurwerkverkooppunten en de verkoop van vuurwerk met als doel de openbare orde voor de burger in en rond de verkooppunten zo min mogelijk te verstoren en de overlast en schade te beperken. Met behulp van deze richtlijn wordt getracht het aantal afleverpunten per inwonertal te sturen. Dit is het zogenaamde spreidingsbeleid dat regelt dat er 1 vuurwerkverkooppunt per 20.000 inwoners aanwezig mag zijn. Daarnaast wordt niet toegestaan dat een vuurwerkverkooppunt gelegen is in de directe nabijheid van een kwetsbaar object zoals bejaardencentra, ziekenhuizen, overdekte winkelcentra en inrichtingen waar dieren worden verzorgd etc. Binnen Amsterdam wordt streng toezicht gehouden op deze regels.

Omdat het beschermen van kwetsbare objecten en het reguleren van het aantal verkooppunten door middel van bovengenoemde richtlijn goed is geregeld, is het niet noodzakelijk om voor het bestemmingsplan verdere beperkingen op te nemen.

5.8.4 Overige wetgevingen Externe veiligheid

Overige wetgevingen die gelden op het gebied van externe veiligheid zijn:

  • Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) (in werking getreden in 2011): Deze AMvB is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wro. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Ten aanzien van de normen voor het plaatsgebonden en groeprisico is aangesloten op de normstelling in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

In of nabij het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig zoals bedoeld in dit beleid.

  • Het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) (in werking getreden in 2012): Hierin staan regels op het gebied van externe veiligheid voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen, waaronder verplichte veiligheidsafstanden tot deze transportroutes. Gemeenten krijgen hiermee in hun bestemmingsplannen te maken.

In of nabij het plangebied zijn geen transportroutes aanwezig zoals bedoeld in dit beleid.

Er spelen in en in de omgeving van het plangebied geen aspecten op het gebied van externe veiligheid waarmee in het bestemmingsplan rekening moet worden gehouden. Daarmee is in het kader van een goede ruimtelijke ordening geen verantwoording van het plaatsgebonden- en groepsrisico aan de orde.

5.9 Luchthavenindelingsbesluit (LIB) Schiphol

Uit het Luchthavenindelingbesluit (LIB) volgen regels die door gemeenten in de omgeving van luchthaven Schiphol in acht moeten worden genomen bij bestemmingsplannen en bij bouw- of aanlegvergunningen. In deze paragraaf worden de resultaten van de toetsing aan de regels uit het LIB beschreven.

Op 1 november 2002 heeft het kabinet de milieu- en veiligheidsregels voor het vijfbanenstelsel op luchthaven Schiphol vastgesteld. De regels zijn opgenomen in het LIB, waarin beperkingen worden gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB), dat is gericht op de beheersing van de belasting van het milieu door het luchtverkeer. De regels zijn op 20 februari 2003 in werking getreden, op het moment dat Schiphol de vijfde baan (Polderbaan) in gebruik heeft genomen.

Per 4 november 2015 is een wijziging van het Luchthavenindelingsbesluit (LIB) in werking getreden. De wijzigingen hangen samen met gewijzigde of nieuwe internationale regels en hebben betrekking op een aantal onderwerpen:

  • g. verlagen van de noodklimtoetsvlakken;
  • h. completeren en actualiseren van de toetsvlakken voor luchtverkeersapparatuur;
  • i. toevoegen en opnemen van nieuwe toetsvlakken;
  • j. instellen van een toetszone voor windturbines;
  • k. instellen van een toetszone voor gebruik van laserinstallaties;
  • l. opnemen van beperkingen voor bomen en struiken.

Een belangrijke reden om het LIB op dit punt te wijzigen heeft te maken met het borgen van de vliegveiligheid. Hiervoor zijn de zogenaamde toetshoogtes in de omgeving van Schiphol aanzienlijk verlaagd. Bestemmingsplannen dienen deze verlaagde toetshoogtes (zoals opgenomen op de kaart in bijlage 4 bij het LIB) in acht te nemen. Gebouwen hoger dan de toetshoogtes kunnen alleen toegestaan worden indien het Rijk hiervoor een verklaring van geen bezwaar (vvgb) heeft afgegeven of een positief radar advies heeft afgegeven. Het instrument “radar advies” hangt samen met de ingebruikname van de radar bij Soesterberg voor de civiele luchtvaart en is een nieuw instrument naast het reeds bestaande vvgb. Voor de radartoets gelden afzonderlijke (en lagere) toetshoogtes, zoals opgenomen op de nieuwe kaart in bijlage 4a bij het LIB.

In het LIB zijn twee gebieden vastgesteld: het luchthavengebied en het beperkingengebied. Amsterdam valt deels binnen het beperkingengebied. Binnen het beperkingengebied worden verschillende deelgebieden onderscheiden met specifieke regels, te weten beperkingen ten aanzien van bebouwing (voorheen vrijwaringszone), bouwhoogte en vogelaantrekkende bestemmingen:

Beperkingen ten aanzien van bebouwing (geluid): Om te voorkomen dat het aantal geluidgehinderden rondom luchthaven Schiphol toeneemt geldt op basis van artikel 2.2.1 van het LIB dat binnen de desbetreffende zone geen nieuwe woningen, woonwagens, scholen en gezondheidszorggebouwen zijn toegestaan. Amsterdam, en daarmee het plangebied, valt buiten de gebiedsdelen waar beperkingen gelden ten aanzien van veiligheid.

Beperkingen ten aanzien van bouwhoogte: In de gebiedsdelen waar hoogtebeperkingen gelden mogen geen objecten worden opgericht of geplaatst die hoger zijn dan de maximale waarden die in de verschillende deelgebieden van kracht zijn. Het LIB bevat een beperkingengebied waarin hoogtebeperkingen zijn vastgelegd. In beginsel mogen op basis van artikel 2.2.2 van het LIB geen objecten worden opgericht die hoger zijn dan de in de bijlagen bij het besluit aangegeven maximale hoogte.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0061.jpg" Afbeelding 53: Uitsnede kaartbijlage 4 LIB

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.K1603BPSTD-VO02_0062.jpg"

Afbeelding 54: Uitsnede kaartbijlage 4a LIB

Op grond van de kaart in bijlage 4 bij het LIB geldt voor het plangebied een hoogtebeperking van 100-146 meter. Op grond van de kaart in bijlage 4a bij het LIB geldt voor het grootste gedeelte van het plangebied geldt een hoogtebeperking van 40-60 meter en een kleiner deel 60-80 meter. Het bestemmingsplan maakt dergelijke (nieuwe) bouwhoogtes niet mogelijk.

Beperkingen ten aanzien van het aantrekken van vogels: Het LIB bevat een gebied waarbinnen, vanwege de veiligheidsoverwegingen die samenhangen met de luchtvaart, beperkingen gelden voor activiteiten die een sterke aantrekkingskracht op vogels kunnen hebben. Op basis van artikel 2.2.3 van het LIB gaat het hierbij om grote wateroppervlakten en moerasgebieden van meer dan 3 hectare (natuurreservaten/vogelreservaten/viskwekerijen (met extramurale bassins). Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe vogelaantrekkende functies mogelijk, zodat het bestemmingsplan ook op dit onderdeel in overeenstemming is met het LIB.

Een tweede wijziging van het LIB zal betrekking hebben op geluidsgevoelige functies en externe veiligheid, maar nog niet bekend is op welk moment deze tweede wijziging zal worden doorgevoerd.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit Rijksbeleid.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

6.1 Wegbestemmen bestaande rechten: gevolgde procedure

Zoals aangegeven in hoofdstuk 3 bevatte het bestemmingsplan De Pijp 2005 een aantal ongewenste rechten.

  • m. Het bestemmingsplan bevatte voor een aantal bouwblokken bouwmogelijkheden voor de uitbreiding van het hoofdvolume in de achtertuin. Aangezien het niet langer wenselijk wordt geacht dat gebruik gemaakt wordt van deze rechten, beredeneerd vanuit de doelstelling om de binnentuinen zo open en groen mogelijk te houden, worden deze bouwrechten wegbestemd. Dit kan echter leiden tot planschade.
  • n. Daar waar in de Lijst toegestane horeca adressen zijn opgenomen voor horeca, maar er geen gebruik van wordt gemaakt, wordt deze gebruiksmogelijkheid geschrapt. Ook dit kan leiden tot planschade.

Voorzienbaarheid creëren

Planschade kan worden voorkomen door voor initiatiefnemers voorzienbaarheid te creëren. Daarmee wordt een situatie gecreëerd waarin het voor eigenaren 'voorzienbaar' wordt dat het stadsdeel voornemens is het bestemmingsplan in een voor hen nadeligere vorm te herzien. Zodra planschade voorzienbaar is, dient deze voor rekening van de aanvrager te blijven. Er wordt dan gesproken over passieve risicoaanvaarding.

Met dit bestemmingsplan wordt dit bewerkstelligd door een voorontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen waarin de huidige onbenutte rechten zoals hierboven aangegeven worden ingeperkt. De terinzagelegging van een voorontwerpbestemmingsplan wordt namelijk gezien als een duidelijk concreet beleidsvoornemen dat openbaar is gemaakt. Weliswaar bestaat met de terinzagelegging van een voorontwerp het risico dat tot het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan aanvragen voor ongewenste ontwikkelingen worden ingediend die vergund moeten worden aangezien ze passen binnen het vigerende bestemmingsplan, maar vanaf het moment dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage ligt kunnen soortgelijke aanvragen worden aangehouden (wegens strijd met het ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan) en (na tijdige vaststelling van het bestemmingsplan) worden afgewezen.

Planschadeclaims vanaf het moment dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd kunnen worden afgewend/afgewezen, omdat een aanvrager op dat moment kan worden tegengeworpen dat hij in de tijd gelegen tussen de publicatie van het voorontwerpbestemmingsplan en de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, geen gebruik heeft gemaakt van de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan bood.

Om voorzienbaarheid tegen te kunnen werpen, dient er tussen het moment van terinzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan en het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een periode van (tenminste) een jaar te liggen. Het voorontwerpbestemmingsplan is in november 2016 ter inzage gelegd in het kader van inspraak.

Voordeel van deze aanpak is dat planschade wordt voorkomen. Nadeel is dat met deze aanpak de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan langer duurt.

6.2 Exploitatieplan

Op grond van artikel 6.12, lid 1 Wro moet voor een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld. Afdeling 6 van de Wro (grondexploitatie) is erop gericht dat de gemeente kosten kan verhalen die gemaakt worden naar aanleiding van een bouwplan. Indien geen kosten gemaakt worden, kunnen deze ook niet worden verhaald. Een exploitatieplan is verbonden aan het bestemmingsplan en gaat mee in het besluitvormingstraject van een bestemmingsplan. Een bestemmingsplan kan één of meerdere exploitatieplannen omvatten.

De verplichting tot vaststelling van een exploitatieplan geldt niet als het kostenverhaal van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is (zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro). Dat is bijvoorbeeld het geval als de gemeente zelf eigenaar is van de grond of als de gemeente over het kostenverhaal anterieure overeenkomsten heeft gesloten met eigenaren van de binnen het exploitatiegebied gelegen gronden. In dat geval moet de gemeenteraad bij het vaststellen van het bestemmingsplan expliciet besluiten dat geen exploitatieplan wordt vastgesteld.

Het achteraf vaststellen van een exploitatieplan is niet mogelijk. Voor een te wijzigen bestemming is een eventueel exploitatieplan gekoppeld aan de wijzigingsbevoegdheid en dient dus gelijk met het wijzigingsplan te worden vastgesteld.

Bij het opstellen van een bestemmingsplan is het daarom van belang om te weten of het plangebied particuliere gronden bevat en of in het bestemmingsplan op deze gronden de realisatie van bouwplannen mogelijk wordt gemaakt. De Grondexploitatiewet heeft alleen gevolgen voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) kunnen realiseren en hiervoor een omgevingsvergunning aanvragen. Volgens artikel 6.2.1 van het Bro betreft een bouwplan onder andere:

  • de bouw van één of meer woningen of hoofdgebouwen;
  • de uitbreiding van een gebouw met minimaal 1.000 m2 of één of meer woningen;
  • de verbouwing van één of meer gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd of voor detailhandel/dienstverlening/kantoor of horecadoeleinden mits de cumulatieve oppervlakte minimaal 1.500 m2 bedraagt.

Het bestemmingsplan beoogt niet om bij recht nieuwe bouwplannen als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro mogelijk te maken die aanleiding zouden geven tot het vaststellen van een exploitatieplan. Voorts is het, zoals in elk bestemmingsplan, mogelijk om binnen bestaande bebouwingscontouren sloop-nieuwbouwplannen te ontwikkelen. In die gevallen zijn er geen kosten voor de gemeente, waardoor kostenverhaal niet aan de orde is. Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat gekoppeld aan dit bestemmingsplan het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig is.

Bij de vaststelling van het bestemmingsplan zal tevens het besluit worden genomen om geen exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdstuk 7 Toelichting juridische regeling

7.1 Verbeelding

De verbeelding is opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit uit zich met name in de structuur en verbeelding. De verbeelding is opgebouwd en gecodeerd volgens IMRO 2012 en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012. Hiermee wordt aangesloten bij de landelijke richtlijn voor het benoemen van de bestemmingen, het bijbehorende kleurgebruik, het gebruik en de vorm van aanduidingen et cetera.

7.2 Regels

7.2.1 Indeling planregels

De indeling van de planregels is als volgt.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels omvat twee artikelen; één artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en één artikel, dat de wijze van meten regelt.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels volgen per artikel in de meeste gevallen het volgende stramien:

  • een omschrijving van de doeleinden van de bestemming;
  • de bouwregels: regels omtrent hoogte et cetera;
  • een afwijkingsbevoegdheid van het College van burgemeester en wethouders met betrekking tot de bouwregels;
  • specifieke regels met betrekking tot de gebruiksmogelijkheden;
  • een afwijkingsbevoegdheid van het College van burgemeester en wethouders met betrekking tot de gebruiksregels;
  • de mogelijkheid voor het College van burgemeester en wethouders om het bestemmingsplan te wijzigen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels bevatten regels betrekking hebbende op:

  • een artikel waar de anti-dubbeltelregel in verwoord staat;
  • algemene bouwregels, die het mogelijk maken voor ondergeschikte gebouwdelen bouw- en bestemmingsgrenzen te overschrijden;
  • algemene regels met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken: deze bepalingen vormen het sluitstuk van de bestemmingssystematiek in die zin dat deze bepalingen alle gebruik van gronden en opstallen dat strijdig is met de aan de grond gegeven bestemming verbiedt. In dit artikel wordt ook nader geregeld welk soorten bedrijven is toegestaan binnen de bestemmingen;
  • algemene afwijkingsregels: het gaat hierbij om een afwijkingsmogelijkheid van de in de regels gegeven maten en normen met betrekking tot het bouwen. Ook is het op grond van de bepaling mogelijk nutsgebouwen met een nader omschreven maatvoering op te richten;
  • algemene wijzigingsregels van het College van burgemeester en wethouders; deze bepaling maakt het mogelijk dat het College van burgemeester en wethouders kleine wijzigingen kan aanbrengen in o.a. de bestemmingsgrenzen;

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels bevat regels betrekking hebbende op:

  • overgangsrecht ten aanzien van bouwen: bouwwerken die op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig zijn, mogen blijven bestaan, ook al is dit in strijd met de bebouwingsregels;
  • overgangsrecht ten aanzien van gebruik: het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, mag gehandhaafd blijven;
  • de slotregel.
7.2.2 Artikelsgewijze toelichting

In deze paragraaf wordt per artikel uiteengezet op welke wijze het beleid en de regelgeving zijn vertaald in de regels.

Artikel 1 Begrippen

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale taalgebruik.

Artikel 2 Wijze van meten

Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen moeten worden, gemeten moeten worden.

Artikel 3 Bedrijf

In deze bestemming wordt het benzinestation aan de Tweede Van der Helststraat 70. Binnen het bestemmingsvlak is een bouwvlak opgenomen voor de winkel en wasstraat en een aanduiding die de aanwezige overkapping mogelijk maakt.

Artikel 4 Cultuur en ontspanning

Slechts een klein aantal gebouwen in het plangebied hebben deze bestemming gekregen: alleen de Heineken Experience en het Rialto filmtheater. Hiermee wordt de bijzondere toegevoegde waarde die deze voorzieningen hebben voor de culturele recreatie in het gebied benadrukt. De horeca en detailhandel die binnen deze voorzieningen voorkomt is in deze bestemming opgenomen.

Artikel 5 Gemengd - 1

De gebouwen in het plangebied waar sprake is van een niet-woonfunctie in de plint en daarboven woningen, hebben een gemengd-bestemming gekregen. Hierbij is een driedeling gehanteerd, om meer locatiespecifieke regelingen te kunnen hanteren. Gemengd - 1 is toegekend aan gebouwen met een niet-woonfunctie in de plint in woonstraten. In deze gebouwen zijn veel gebruiksmogelijkheden in de plint toegestaan. Vanwege de ligging in de woonstraten, is een gebruik als woning toegestaan, maar worden ook functies als detailhandel, dienstverlening, ambachtelijke bedrijven en kantoren toegestaan.

In dit bestemmingsplan zijn vanwege het separaat bestemmen van de tuinen in de binnentuinen, de bestemmingsgrenzen ook meteen de grenzen van de gronden die 100% bebouwd mogen worden. Het is daarmee niet noodzakelijk om tevens een bouwvlak op te nemen. Dit leidt ook meteen tot de constatering dat er in principe geen onbebouwde gronden zijn waarop andere bouwwerken gebouwd kunnen worden. Er zijn dan ook geen bouwregels voor bouwwerken geen gebouwen zijnde opgenomen in het bestemmingsplan.

In de specifieke gebruiksregels worden beperkingen opgenomen voor de functies die in de bestemmingsomschrijving zijn opgenomen. De meeste beperkingen hebben tot doel het behouden van de kleinschaligheid van de niet-woonfuncties in woonbuurten. Zo is het niet toegestaan om vestigingen van de toegestane functies groter dan 300 m2 te hebben en is het niet toegestaan om meer dan 2 panden samen te voegen. Voor winkels wordt het toegestaan om een vestiging te hebben van 500 m2, mits daar minstens 200 m2 gebruikt wordt voor andere doeleinden dan winkelvloeroppervlak. In de praktijk zal dit administratieve en opslagruimtes zijn. In gebieden waar de detailhandelsfunctie echt kleinschalig moet zijn, is samenvoeging helemaal niet toegestaan. Het gaat dan om de Daniël Stalpertstraat en de Gerard Doustraat tussen de Ferdinand Bolstraat en het Gerard Douplein.

Daar waar de niet-woonfunctie ook op de hoger gelegen bouwlagen aanwezig is, is dit aangegeven op de verbeelding en mag de aanwezige functie daar blijven. Wel is aangegeven dat uitsluitend de functie die op de hoger gelegen bouwlagen tijdens de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig was mag voortbestaan en niet zondermeer mag worden gewijzigd naar een andere gebruiksvorm die in de bestemmingsomschrijving is opgenomen. Zodoende blijft er een afwegingsmoment voor het bestuur bij gebruikswijzingen.

Ook zal een vestiging die nu groter is dan 300 m2 mogen voortbestaan. Hierbij kan het gaan om vestigingen die voldoende oppervlak hebben om een supermarkt te huisvesten. Om dergelijke gebruikswijzigingen te voorkomen (vanwege de nadelige effecten die supermarkten kunnen hebben op het lokale woon- en leefklimaat), worden supermarkten alleen toegestaan daar waar deze thans aanwezig zijn en met een aanduiding op de verbeelding zijn aangegeven.

In het plangebied zijn enkele zelfstandige gebouwen in de binnentuin van een bouwblok aanwezig. Deze krijgen een toegespitste bestemming, zodat er geen gebruiksintensieve functies zich daar kunnen vestigen die een nadelig effect kunnen hebben op de rust en stilte die in een binnentuin zo waardevol wordt geacht. De fotostudio die wordt genoemd in deze gemengd bestemming is de invulling van een zelfstandig gebouw in een bouwblok aan de Ceintuurbaan. Hier mogen de andere functies die in de bestemmingsomschrijving zijn opgesomd niet gerealiseerd worden.

Vanuit de Wet geluidhinder wordt het realiseren van geluidsgevoelige functies langs drukke (spoor)wegen alleen mogelijk geacht als de geluidsbelasting vanwege deze (spoor)wegen niet meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde. Kan hieraan niet worden voldaan, dan kan mogelijk een hogere grenswaarde worden verleend. Indien deze is verleend, dan is er geen bezwaar tegen een nieuwe geluidsgevoelige functie. Kan deze hogere grenswaarde niet worden verleend, dan moet de geluidsbelasting op de gevel worden verlaagd door een vliesgevel, of de geluidsgevoelige functie mag geen verblijfsruimtes hebben aan en te openen delen in de geluidbelaste gevel. Dit wordt ook wel een dove gevel genoemd. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om in alledrie de gevallen tot het oordeel te komen dat de nieuwe geluidsgevoelige functie passend is op de betreffende locatie, zonder af te wijken van het bestemmingsplan.

Artikel 6 Gemengd - 2

De tweede gemengd-bestemming geldt alleen voor winkelstraten. Dit betreffen de Ferdinand Bolstraat, Albert Cuypstraat en de Van Woustraat. De enige functies die hier bij recht worden toegestaan, zijn detailhandel, inpandige fietsenstallingen en ambachtelijke bedrijven. Alle andere functies die aanwezig zijn, zijn met een aanduiding op de verbeelding aangegeven, of worden over het algemeen uitgesloten van nieuwe vestiging (zie bepaling artikel 28.3, onder d) Hiermee wordt het belang van deze straten als stadsstraten en marktgebied onderstreept.

Voor het overige is deze bestemming gelijk aan de Gemengd - 1 bestemming.

Voor het deel van de Ferdinand Bolstraat tussen de Albert Cuypstraat en de Ceintuurbaan zijn meer mogelijkheden opgenomen voor grotere winkels. Dit was in het vorige bestemmingsplan zeer ruim toegestaan: de winkels die in dit deel van de straat konden komen, waren niet beperkt in vestigingsgrootte en eveneens niet beperkt tot de begane grond. In dit bestemmingsplan blijft het mogelijk om de eerste verdieping te benutten voor de detailhandel, maar wel onder de voorwaarde dat erboven gewoond wordt. Tevens mogen hier, in tegenstelling tot de andere delen van de Pijp, drie panden worden samengevoegd. Deze mogelijkheden leiden tot grotere detailhandelsvestigingen, wat wordt toegestaan tot een maximum van 500 m2 winkelvloer en 700 m2 bvo.

Artikel 7 Gemengd -3

In het gebied rondom het oude gemeentearchief op Amsteldijk 67 vindt een herontwikkeling plaats. Er zijn een aantal gebouwen gesloopt en er wordt hard gewerkt aan nieuwbouw. Voor deze herontwikkeling is een separaat bestemmingsplan opgesteld (Gemeentearchiefterrein), waarin voor de nieuwbouw meerdere gebruiksmogelijkheden per pand werd voorzien. Aangezien deze scala aan mogelijkheden niet goed onder te brengen zijn in de systematiek van de Gemengd-1 en Gemeng-2 bestemmingen, is hiervoor een derde gemengd-bestemming in het leven geroepen. Deze bestemming komt dan ook alleen voor het gebied rondom Amsteldijk 67.

Artikel 8 Groen

Deze bestemming is toegekend aan gronden die hoofdzakelijk als groenvoorziening in gebruik zijn en niet als snippergroen in de verkeersbestemming vallen. Het gaat dan met name om de oevers van de wateren die de Pijp omgeven, het Sarphatipark en enkele binnentuinen van bouwblokken in de Zuid-Pijp. In de bestemming Groen worden de meest voorkomende activiteiten die in groene gebieden plaatsvinden, toegestaan. Voor het Sarphatiepark is tevens een aanduiding opgenomen voor het kunnen houden van kleinschalige evenementen.

Artikel 9 Horeca

Met de bestemming Horeca worden uitsluitend hotels en bijbehorende voorzieningen toegestaan. Horeca die in het hotel aanwezig is, wordt niet beschouwd als zelfstandige functie en wordt passend geacht binnen de Horeca-bestemming.

Artikel 10 Kantoor

in het plangebied zijn slechts een klein aantal panden aanwezig die volledig in gebruik zijn ten behoeve van kantoren. Aangezien er geen opgave bestaat voor de Pijp vanuit de Kantorenstrategie, wordt een transformatie niet zondermeer toegestaan. Wel worden bedrijven en maatschappelijke dienstverlening toegestaan. Om een eventuele transformatie naar een gemengd gebruik wel eenvoudiger te maken, is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming te wijzigen naar Gemengd - 1. Hiervoor zal wel een wijzigingsplan gemaakt moeten worden, dat voldoet aan de criteria van een goede ruimtelijke ordening.

Artikel 11 Maatschappelijk

De panden in het gebied die geheel in gebruik zijn genomen door een maatschappelijke voorziening, hebben een maatschappelijke bestemming gekregen, alsmede panden die deze bestemming reeds hadden in het vorige bestemmingsplan. Eventuele afwijkingen die van het voorgaande bestemmingsplan zijn verleend, zijn als gebruiksfunctie toegelaten in dit bestemmingsplan, zonder de maatschappelijke bestemming te laten vervallen. Zodoende blijft altijd de mogelijkheid het gebouw weer geheel voor een maatschappelijke voorziening te benutten.

Artikel 12 Sport

Aan Sporthallen De Pijp is een Sport-bestemming toegekend. De functies die vaak aan sport worden gerelateerd (zoals kinderopvang, educatie, zaalverhuur, etc.) zijn eveneens in deze bestemming toegestaan.

Artikel 13 Tuin

In de toelichting op de bestemming Gemengd - 1 is reeds aangegeven dat de bestemmingsgrenzen van de hoofdbebouwing zoveel mogelijk overeenkomen met het aanwezige gebouw en er geen onbebouwde gronde resteren. Dit is bewust gedaan om de tuinen een eigen bestemming te kunnen geven.

In deze bestemming Tuin wordt ingezet op het verminderen van volume, zonder dit actief na streven. Zo blijft het mogelijk om de bebouwing die er nu staat te behouden, en zelfs te slopen en opnieuw op te richten. Daarnaast wordt er nog de mogelijkheid geboden om binnen een strook van 2,5 meter vanaf de achtergevel een bijbehorend bouwwerk te realiseren. Aangezien hier niet de dubbelbestemming Waarde - Landschap geldt, is deze strook van 2,5 meter wel erf in de zin van Bijlage II Besluit omgevingsrecht en kan op grond van artikel 3 van diezelfde bijlage zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk worden opgericht. De maximale maatvoeringen van dat bijbehorende bouwwerk komen ook overeen met de bouwmogelijkeden die in artikel 3 Bijlage II Bor zijn opgenomen.

Omdat dit de bestemming betreft voor de gronden bij het hoofdgebouw, is voor de bijbehorende bouwwerken geregeld dat deze in gebruik mogen worden genomen ten behoeve van de functie in het hoofdgebouw, zolang er tegen hoofdgebouw is aangebouwd. Is het een losstaand bijbehorend bouwwerk, dan mag dit alleen ten behoeve van de tuin worden gebruikt.

Bij schoolplein is het toegestaan om fietsenstallingen te realiseren en worden regels gesteld aan de maatvoeringen van gebouwde terrassen in de binnentuin.

Voor de tuinen die grotendeels bebouwd zijn, is een afwijkingsregeling opgenomen voor het kunnen verlenen van medewerking aan een vergunning voor een ander bijbehorend bouwwerk dan aanwezig was ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Hierbij is als eis gesteld dat dan de helft van het volume dat meer is dan 50% van de tuin opgeofferd moet worden. Tevens dient dit bouwwerk te worden voorzien van een groen dak. Om te voorkomen dat na het verlenen van de vergunning alsnog gebruikt gemaakt wordt van de algemene regeling dat bestaande bijbehorende bouwwerken niet hoeven te verdwijnen (en zelfs gesloopt en opnieuw opgericht kunnen worden), wordt de werking van dat artikellid via de afwijkingsbevoegdheid teniet gedaan.

Aan de achterzijde van de achtertuinen bij de bebouwing aan de Stadhouderskade tussen de Van Woustraat en de Hemonystraat ligt er een kans om het stedelijk weefsel af te maken. In het bestemmingsplan wordt hier via een wijzingzbevoegdheid ruimte voor geboden. Het wijzigingsplan zal aan de criteria van een goede ruimtelijke ordening worden getoetst en via de uniforme voorbereidingsprocedure worden voorbereid.

Artikel 14 & 15 Verkeer - 1 & 2

Alle gronden die niet bestemd zijn voor hoofdbebouwing, tuinen en groen, hebben de bestemming Verkeer gekregen. In deze bestemming zijn alle activiteiten die voorkomen in de openbare ruimte toegestaan. Het verschil tussen beide bestemmingen is gelegen in het wel of niet voorkomen van een trambaan. Indien dit onderscheid niet wordt gemaakt, dan zou in iedere woonstraat theoretisch een tram kunnen komen, zonder dat dit in strijd zou zijn met het bestemmingsplan. Dit levert een verkeersbestemming op die niet ruimtelijk te onderbouwen is, vanwege de geluidhinder die dit op zou leveren voor de woningen.

In de Verkeer - 1 bestemming is de parkeergarage Willibrordusterrein opgenomen. De bouwwerken die minimaal nodig zijn om de parkeergarage te maken, zijn als maximum opgenomen in de regels. Indien in de praktijk blijkt dat er meer/grotere bouwwerken nodig zijn, dan is hiervoor een afwijkingsbevoegdheid opgenomen.

Artikel 16 Wonen

De panden die als geheel een woonfunctie hebben en waarin flexibiliteit in het gebruik van de begane grond niet vereist danwel gewenst is, hebben de bestemming Wonen. In de bestemmingsomschrijving is bepaald welke gebruiken allemaal binnen deze bestemming mogelijk zijn. De belangrijkste daarbij is de woonfunctie. Ondergeschikt aan de woonfunctie is ook huisgebonden bedrijf, bed & breakfast en huisgebonden beroep mogelijk binnen een woning.

In de bouwregels is in zijn algemeenheid bepaald dat er alleen gebouwd mag worden ten behoeve van de bestemming, aan de hand van de maximum bouwhoogte die op de verbeelding is opgenomen.

In de specifieke gebruiksregels is bepaald welke functies waar zijn toegestaan en wat de maximale oppervlakte voor huisgebonden bedrijven en beroepen is.

Staanplaatsen ten behoeve van detailhandel zijn in de regels toegestaan op de locaties die in de regels zijn opgenomen. Daarbij is tevens de mogelijkheid geboden om een staanplaats onder bepaalde voorwaarden te verplaatsen en/of te vergroten. Nieuwe staanplaatsen zijn onder voorwaarden in afwijking van de bouwregels mogelijk.

Artikel 17 Waarde - Archeologie 1

Het bestemmingsplan kent een dubbelbestemming voor archeologische waarden. Een dubbelbestemming dient ter bescherming van een specifiek ruimtelijk belang. In dit geval de bescherming van archeologische waarden. De dubbelbestemming valt over de 'onderliggende' inhoudelijke bestemmingen heen en houdt beperkingen in voor de bouw- en/of gebruiksmogelijkheden van die bestemmingen. Binnen de regels is onder andere bepaald dat voor een bodemverstoring tot 100 m2 en minder diep dan 0,5 m geen onderzoeksplicht geldt.

Artikel 18 Waarde - Archeologie 2

Idem aan artikel 17, met dien verstande dat er geen archeologische resten worden verwacht bij oppervlaktes kleiner dan 100 m2 en/of een diepte minder dan 2 meter t.o.v. het maaiveld.

Artikel 19 Waarde - Archeologie 3

Idem aan artikel 17, met dien verstande dat er geen archeologische resten worden verwacht bij oppervlaktes kleiner dan 500 m2 en/of een diepte minder dan 2 meter t.o.v. het maaiveld.

Artikel 20 Waarde - Archeologie 4

Idem aan artikel 17, met dien verstande dat er geen archeologische resten worden verwacht bij oppervlaktes kleiner dan 10.000 m2 en/of een diepte minder dan 3,2 meter t.o.v. het maaiveld.

Artikel 21 & 22 Waarde - Cultuurhistorie 1 &_2

Voor de panden die zijn aangewezen als orde-1 en orde 2 in de waarderingskaart van de Nota Welstand, is de dubbelbestemming 'Waarde - cultuurhistorie 1' opgenomen, voor de panden van orde-3 de dubbelbestemming 'Waarde - cultuurhistorie 2'. De regeling is erop gericht om bij alle ordepanden het kapprofiel te behouden. Binnen de dubbelbestemmingen zijn dakuitbouwen onder voorwaarden direct toegestaan. Dakopbouwen of extra bouwlagen zijn in afwijking van het bestemmingsplan onder voorwaarden toegestaan. Ornamenten,dakkapellen en daklijsten zijn in ondergeschikte vorm toegestaan.

Om te voorkomen dat bebouwing wordt gesloopt zonder dat er een nieuwbouwplan is, is voor de orde 1 en orde 2 panden een sloopvergunningenstelsel opgenomen. Dit stelsel is niet opgenomen voor panden in orde 3 of basisorde.

Om te voorkomen dat voor alle sloopactiviteiten een sloopvergunning aangevraagd moet worden, is een aantal uitzonderingen opgenomen. Deze uitzonderingen gelden voor sloopactiviteiten:

  • die het normale onderhoud betreffen;
  • van ondergeschikte betekenis, indien door het College van burgemeester en wethouders schriftelijk is medegedeeld, dat daarvoor geen sloopvergunning is vereist;
  • die uitgevoerd mogen worden krachtens een voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan verleende dan wel aangevraagde vergunning;
  • ter voldoening van een aanschrijving of een besluit van het College van burgemeester en wethouders.

Artikel 23 Waarde - Hoofdgroenstructuur

Het Sarphatipark is als enige gebied in de Pijp aangewezen als stadspark binnen de stedelijke hoofdgroenstructuur. Omdat de aanwezige verharding al meer bedraagt dan volgens de Structuurvisie Amsterdam in stadsparken is toegelaten, worden toenames in verharding en bebouwing aangemerkt als activiteiten die pas mogen plaatsvinden nadat de Technische adviescommissie hier een advies over heeft uitgebracht.

Artikel 24 Waarde - Landschap

Deze bestemming voorziet in het mede bestemmen van alle binnentuinen voor het instandhouden en ontwikkelen van het waardevolle karakter van de (binnen)tuinen. Op deze manier krijgen de binnentuinen een bestemming die een hoger belang dient dan alleen het gebruik als verblijfsgebied voor de bewoners en ondernemers op de begane grond. Hierdoor zijn de binnentuinen niet langer aan te merken als erf in de zin van het Besluit omgevingsrecht en is het vergunningsvrije bouwen op grond van artikelen 2 en 3 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht uitgesloten.

Artikel 26 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan, waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Door deze bepaling wordt ervoor gezorgd dat eerder verleende vergunningen worden meegenomen bij de berekening van het toegestane nog te bebouwen oppervlak.

Artikel 27 Algemene bouwregels

In dit artikel worden ondergschikte bouwdelen die de bestemmingsgrenzen overschrijden met ten hoogste 0,5 meter toegestaan.

Artikel 28 Algemene gebruiksregels

In dit artikel wordt geregeld welk gebruik is toegelaten. Gebruik dat in strijd is met de bestemming van de grond en de bijbehorende regels is verboden. Zo worden in ieder geval bedrijven, genoemd in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit behorend bij de Wet milieubeheer, uitdrukkelijk uitgesloten van vestiging in het plangebied op grond van de te verwachten overlast van dergelijke bedrijfsuitoefening.

Met dit bestemmingsplan worden ambachtelijke bedrijven beschermd. Om duidelijk te hebben wat precies onder ambachtelijke bedrijvigheid wordt verstaan, is er een bijlage bij de regels opgenomen, waarin de meest voorkomende ambachtelijke bedrijven zijn opgesomd. Bedrijven die thans in het gebied aanwezig zijn, maar niet op de lijst voorkomen (en daar ook niet mee vergelijkbaar zijn) mogen voortbestaan, maar bij een wijziging van bedrijfsactiviteiten zal het bestuur hier in het kader van een afwijking van het bestemmingsplan een afweging maken.

Artikel 29 Algemene aanduidingsregels

Het bouwblok dat zich bevindt tussen de Stadhouderskade, Hemonystraat, Hemonylaan en de Van Woustraat is aan de zuidzijde niet gesloten. Uit het stedenbouwkundig onderzoek blijkt dat hier mogelijkheden zijn voor een herontwikkeling, waarbij het bouwblok gesloten wordt. Aangezien er meerdere belangen spelen (eigendomsverhoudingen, parkeren, openbare ruimte, daglichttoetreding, schaduwwerking, geluidhinder, financiële/maatschappelijke uitvoerbaarheid en stedenbouwkundige inpassing), die niet op voorhand duidelijk in beeld kunnen worden gebracht, wordt er niet direct een bouwrecht geboden. Het is mogelijk om per perceel een wijzigingsplan te maken, danwel voor alle percelen binnen de gebiedsaanduiding. Per wijzigingsplan dient dan bepaalt te worden of alle belangen juist wordt afgewogen en of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Artikel 30 Algemene afwijkingsregels

Het College van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bestemmingsplan. In deze regeling zijn de algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen zodat enige flexibiliteit mogelijk wordt gemaakt ten aanzien van de regels. Het maakt voorts mogelijk dat parkeren op eigen terrein wordt toegestaan. Omwille van de ruimtelijke kwaliteit is dat niet bij voorbaat overal toegestaan.

Artikel 31 Overgangsrecht

Hier wordt geregeld dat bouwwerken mogen worden behouden of gebruik mag worden voortgezet vanaf het moment dat het bestemmingsplan in werking is getreden ondanks dat de bebouwing of het gebruik niet (langer) overeenkomt met de regels die in dit bestemmingsplan worden gegeven. Het overgangsrecht vindt op deze wijze zijn plaats in dit plan. Dit is conform artikel 3.2.1 en 3.2.2. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Artikel 32 Slotregel

Het laatste artikel van de planregels betreft de citeertitel van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 8 Participatie en vooroverleg

8.1 Wettelijk (voor)overleg

In het kader van het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan Noord/Zuidlijn aan de volgende instanties gezonden:

  • 1. Ministerie Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) / energie;
  • 2. Ministerie OC&W, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed;
  • 3. Gedeputeerde Staten van Noord-Holland;
  • 4. Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG);
  • 5. Hoogheemraadschap AGV/Waternet;
  • 6. Brandweer Amsterdam-Amstelland;
  • 7. Liander;
  • 8. N.V. Nederlandse Gasunie;
  • 9. KPN Telecom Netwerk Operations;
  • 10. Tennet T.S.O.;
  • 11. Gas Transport Services;
  • 12. Ondernemersvereniging Ferdinand Bolstraat;
  • 13. Koninklijke Horeca Nederland, afdeling Amsterdam;
  • 14. MKB-Amsterdam;
  • 15. Vereniging Amsterdam City;
  • 16. Winkelstraatmanager Ferdinand Bolstraat.

Reacties + beantwoording PM

8.2 Participatie

8.2.1 Nota van Uitgangspunten

Een concept NvU is gebruikt als thematische kapstok voor het participatietraject.

Ten opzichte van de ambtelijke uitgangspunten is een aantal wijzigingen opgenomen. Deze wijzigingen komen rechtstreeks voort uit de opbrengst van het participatietraject .

De bedoeling van dit participatietraject was dat stadsdeel Zuid, burgers, ondernemers en andere professionele partijen de mogelijkheid bood input te geven vóórdat er bestuurlijk zaken zijn vastgelegd. Tevens was het een moment waarop het stadsdeel de kans greep om informatie te krijgen over wat er speelt in de Pijp met betrekking tot de bestemmingsplan-thema's.

Het traject bestond uit 3 onderdelen: een informatieavond, straatinterviews en gesprekken met externe professionals. Hieronder wordt de uitkomst van de drie onderdelen kort samengevat.

Informatieavond

Op 1 september 2015 is er door het stadsdeel een avondbijeenkomst georganiseerd in de Oranjekerk over de onderwerpen van het bestemmingsplan. Die bijeenkomst werd door zo'n 80 mensen bezocht, bewoners en ondernemers, jong en oud. Op de avond werd algemene informatie gegeven over wat een bestemmingsplan regelt en niet regelt. Daarnaast zijn er rond 7 thema's tafelgesprekken gevoerd, waarin de aanwezigen de gelegenheid kregen hun ideeën, klachten en voorstellen naar voren te brengen, ook als deze niet binnen het bestemmingsplan zouden kunnen worden opgelost.

Korte samenvatting van de afwijkingen ten opzichte van de ambtelijke uitgangspunten is:

  • dat prudentie is geboden bij het toestaan van toename van horeca, met name op hoeken van straten,
  • dat bewoners de mogelijkheden met betrekking tot bebouwing in binnentuinen nog meer wil beperken, dat winkels in de zijstraten worden toegestaan , mede in verband met het verbeteren van de sociale veiligheid,
  • dat alleen bedrijven met een weinig verkeer aantrekkende werking moeten worden toegestaan,
  • dat de bouwhoogte van nieuwbouw beperkt moet worden.

Straatinterviews

We wilden meer doelgroepen de kans te geven hun input te geven op de onderwerpen die in het bestemmingsplan worden behandeld. Daarom zijn er circa 50 straatinterviews met mensen van diverse sociaal economische achtergrond, verspreid over verschillende locaties in, vooral de Zuid-Pijp, afgenomen. De onderwerpen die het meest werden genoemd waren: minder horeca en hotels, verkeersveiligheid verbeteren, meer ondergrondse parkeergelegenheid, oplossingen voor de fietsparkeerproblematiek en meer groen.

Gesprekken met externe professionals

Om een nog beter beeld te krijgen van hetgeen speelt in de Pijp met betrekking tot het bestemmingsplan zijn er gesprekken gevoerd met ondernemers, straatmanagers, met corporaties die hun werkterrein in de Pijp hebben èn met makelaarsvereniging die hun leden hebben gepeild over thema's die spelen.

Aandachtspunten bij corporaties zijn met name veiligheid van de leefomgeving, de (on)mogelijkheden voor horeca, de ontwikkelingen in sociale huur, hoe wordt omgegaan met AirBnB en de wens om woningen samen te kunnen voegen.Vanuit de straatmanagers en ondernemers kwam naar voren dat ondernemers in de Pijp behoefte hebben aan duidelijke criteria voor mengfuncties. Het verschil in handhaving op mengfuncties en 'zuivere horeca' beziet men als ongelijk. Voorts bestaat er de tegenstelling in belangen tussen de horeca ondernemers en de bewoners, waarbij overlast als een rekbaar begrip wordt gezien.

De makelaars noemden dat de markt weer is aangetrokken 'geëxplodeerd', zo stelt men. Aandachtspunt voor de woonbuurten is de balans tussen toerisme en wonen: men wenst regulering van overlast, met name in de Noord-Pijp. Ondergrondse/inpandige parkeerruimte is gewenst voor zowel fiets als auto. Tegelijkertijd bestaat er de wens naar autovrije straten De waardering van de voorzieningen is nog steeds zeer hoog. Verkeersdoorstroming (laden en lossen) is een aandachtspunt. Verder spreekt men de wens uit om AirBnB goed te reguleren en men wil in het segment grotere woningen (150 m2) kunnen voorzien.

De uitkomsten van deze participatie zijn verwerkt in de definitieve NvU, welke als bijlage is bijgesloten bij deze toelichting.

8.2.2 Voorontwerpbestemmingsplan

In het kader van het publiceren van het voorontwerpbestemmingsplan, zal getracht worden om zoveel mogelijk bewoners en ondernemers te informeren. Dit wordt ingegeven vanuit de noodzaak om een ieder op de hoogte te brengen van de wijzigingen die tussen het huidige bestemmingsplan De Pijp 2005 en het nieuwe bestemmingsplan De Pijp 2018 zijn doorgevoerd. Met name op het gebied van rechten die in het nieuwe bestemmingsplan niet meer terugkomen, moet duidelijk zijn dat er nog beperkte tijd is om hiervan gebruik te maken.

Zo zal er op meerdere manieren kenbaar gemaakt worden dat er een voorontwerpbestemmingsplan is voorbereid. Hierbij wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van communicatiemiddelen die veel bewoners en ondernemers bereiken. Dit kan via wijkkranten, internetkranten, social media en via de winkelstraatmangers en andere linking pins in de wijk. In deze berichtgevingen zal tevens de mogelijkheid tot het indienen van een reactie worden vermeld.

Er zal tevens een informatieavond worden georganiseerd, om het bestemmingsplan toe te lichten en aan te geven op welke wijze een reactie kan worden gegeven op het bestemmingsplan.

Omdat er nu niet meer over de uitgangspunten wordt gesproken, maar over de vertaling daarvan naar regels, verbeelding en toelichting, zal het niet nodig zijn om wederom straatinterviews en gesprekken met externe partners te houden. Het accent verschuift daarmee van samenwerken/overleg, naar informeren/ophalen van informatie. Uiteraard zal het altijd mogelijk blijven dat het bestemmingsplan naar aanleiding van de reacties wordt aangepast. Dit zal dan in het kader van het ontwerpbestemmingsplan teruggekoppeld worden.

8.2.3 Ontwerpbestemmingsplan

PM.