direct naar inhoud van 5.10 Ecologie
Plan: Lutkemeerpolder
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0363.F1003BPSTD-OW01

5.10 Ecologie

5.10.1 Algemeen

Vanuit de wet- en regelgeving ten aanzien van de natuurbescherming worden eisen gesteld aan ingrepen in het landschap. Eventuele effecten op beschermde dier- of plantensoorten en beschermde gebieden dienen onderzocht te worden. Het wettelijke kader maakt onderscheid tussen enerzijds de gebiedsbeschermende wet- en regelgeving en anderzijds de soortbeschermende wet- en regelgeving. Indien een negatief effect optreedt op beschermde soorten of gebieden dient voor de uiteindelijke ingreep (de bouwfase) toestemming (in de vorm van een ontheffing of vergunning) te worden aangevraagd bij bevoegd gezag (dikwijls het Ministerie of de provincie). In het kader van een bestemmingsplan of een wijziging van een bestemmingsplan kan geen ontheffing of vergunning worden verleend. In deze fase van de planvorming moet echter wel al rekening worden gehouden met eventuele effecten in de uitvoeringsfase. Met andere woorden, bij het opstellen van het bestemmingsplan moet goed naar de uitvoerbaarheid worden gekeken en moet blijken dat het plan te zijner tijd uitvoerbaar is, indien nodig na verlening van noodzakelijke ontheffing en/ of vergunning.

5.10.2 Plangebied

In het kader van de planvorming is in 2010 een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (zie nr. 19, bijlage 1). In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de bevindingen.

5.10.3 Gebiedsbescherming

De dichtstbijzijnde gebieden die onder de Natuurbeschermingswet 1998 (herzien op 1 oktober 2005) vallen, liggen op tenminste 10 kilometer afstand van de Lutkemeerpolder (Kennemerduinen, Oostelijke Vechtplassen, Ilperveld). Gezien de relatief beperkte ontwikkelingen die in het kader van dit bestemmingsplan worden voorzien, wordt een uitgebreide behandeling van de juridische aspecten van de NB-wet hier overbodig geacht. We zullen ons in deze paragraaf dan ook beperken tot de relevante gebiedsbeschermingskaders.

Ecologische Hoofdstructuur

De vorming van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een concrete uitwerking van De Nota Ruimte (2005) en de Nota Natuur voor mensen, Mensen voor Natuur (2000). Het ruimtelijke beschermingsbeleid voor de EHS is gericht op het instandhouden van kenmerken en waarden die wezenlijk zijn voor behoud, herstel en ontwikkeling van de EHS-gebieden. Ter versterking van de samenhang van de grotere eenheden binnen de EHS worden 'robuuste verbindingen' nader uitgewerkt. Binnen de robuuste verbindingen is naast de functie natuur ook plaats voor functies als recreaties, waterbeheer, landschap en cultuurhistorie. Onderdeel van de EHS vormen ook de ecologische verbindingszones (evz's). Dit zijn verbindingen tussen natuurgebieden, die bestaan uit een natuurstrook met stapstenen (rust- en foerageergebieden), waardoor diersoorten van het ene naar het andere gebied kunnen migreren.

Effecten op de EHS moeten voorkomen worden of in ieder geval gecompenseerd worden. Hierover zijn afspraken gemaakt tussen het rijk en de provincies, vastgelegd in de nota "Spelregels EHS". Naast de tot nu toe gehanteerde restrictieve benadering ("nee tenzij") zijn er nu ook de instrumenten herbegrenzing en saldobenadering. Bij de "nee, tenzij" benadering moeten mitigerende maatregelen worden toegepast en de resterende schade worden gecompenseerd. Herbegrenzing wordt alleen bij kleinschalige ruimtelijke ingrepen of om ecologische redenen toegepast, en zal alleen worden uitgevoerd als het leidt tot kwaliteitsverbetering en versterking van de EHS. Bij combinaties van plannen en projecten geldt een saldobenadering, waarbij onderlinge samenhang aanwezig moet zijn en per saldo de kwaliteit of kwantiteit van de EHS moet verbeteren.

5.10.4 Soortenbescherming

Naast speciaal aangewezen gebieden worden ook diverse planten - en diersoorten beschermd op basis van Europese en Nederlandse wet- en regelgeving. In de bijlagen van de EU- Habitatrichtlijn zijn diverse beschermde dier- en plantensoorten aangewezen. Dit soortbeschermingsregime is op nationaal niveau geïmplementeerd in de Flora- en faunawet. Naast de op Europees niveau beschermde soorten worden in deze wet ook een aantal soorten genoemd, die alleen op nationaal niveau beschermd zijn. Voor de groep bedreigde en ernstig bedreigde diersoorten en soorten die wordt vermeld in bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn geldt het meest strikte beschermingsregime. Voor de meer algemeen voorkomende soorten zijn de afwijkingscriteria minder streng.

De Flora- en faunawet bevat diverse concrete verbodsbepalingen die de soorten tegen nadelige effecten beschermen. Ruimtelijke ingrepen dienen getoetst te worden op hun effecten op beschermde soorten. Bevoegd gezag, in dit geval het Ministerie, kan ontheffing verlenen. In het kader van een bestemmingsplan kan geen ontheffing worden verleend. Echter moet in deze fase van de planvorming al rekening worden gehouden met eventuele effecten in de uitvoeringsfase. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient te worden aangetoond. Dat betekent dat er op voorhand geen redenen denkbaar mogen zijn die tot gevolg kunnen hebben dat een ontheffing niet verleend kan worden.

Beschermde planten en dieren zijn onderverdeeld in drie categorieën; algemene soorten, overige soorten en streng beschermde soorten. Elke categorie kent een eigen beoordelingstoets voor ontheffingsverlening (zie onderstaande tabel).

Beschermde flora en fauna   Met gedragscode   Zonder gedragscode  
Algemene soorten   Algemene vrijstelling   Algemene vrijstelling  
Overige soorten   Vrijstelling   “Lichte” toets  
Streng beschermde soorten   “Uitgebreide” toets*   “Uitgebreide” toets  

*bij werkzaamheden i.k.v. bosbouw, landbouw of natuurbeheer geldt een vrijstelling

Tabel: Beschermingsregimes gewijzigde Flora- en faunawet.

Algemene soorten:

Deze soorten zijn in de Flora- en faunawet opgenomen en dus beschermd. Ze komen echter in Nederland algemeen voor. Voor verstoring van deze soorten bij uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig onderhoud, beheer of gebruik, of bij ruimtelijke ontwikkeling of inrichting, geldt daarom een algemene vrijstelling. Het aanvragen van een ontheffing is dus niet nodig.

Overige soorten:

Wanneer soorten uit de tweede categorie negatief beïnvloed worden door ruimtelijke ingrepen, bestaat de mogelijkheid te werken volgens een goedgekeurde “gedragscode”. De invoering van de gedragscode is de tweede grote wijziging van de Flora- en faunawet. Begin 2010 was de gedragscode van de Unie van Waterschappen door de Raad van State aangemerkt "als ware hij goedgekeurd door de Minister van LNV", in afwachting van het hoger beroep tegen de vernieling van het goedkeuringsbesluit van de Minister van LNV uit 2006. In een gedragscode is opgenomen hoe werkzaamheden worden uitgevoerd zodanig dat schade aan beschermde soorten wordt voorkomen of tot een minimum wordt beperkt. De gedragscode moet door de Minister goedgekeurd zijn alvorens deze een wettelijke status heeft. Daarnaast dient bij uitvoering van de werkzaamheden aantoonbaar wordt gewerkt volgens de betreffende gedragscode. Wanneer hieraan voldaan wordt, geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht.

Wanneer er niet gehandeld wordt volgens een gedragscode, geldt bij de ontheffingsaanvraag de “lichte” toets. Hierbij moet aangetoond worden dat de werkzaamheden er niet toe mogen leiden dat het voortbestaan van de soorten in gevaar wordt gebracht. Belangrijk hierbij is dat aangetoond kan worden dat reeds in een vroeg stadium van planvorming rekening is gehouden met de dieren en planten in het gebied.

Streng beschermde soorten:

Ontheffingsaanvragen voor streng beschermde soorten worden volgens een uitgebreide toetsing beoordeeld. Niet alleen moet worden aangetoond dat de werkzaamheden het voortbestaan van de soort op populatieniveau niet in gevaar brengen, tevens moet worden aangetoond dat er geen bevredigend alternatief voor de activiteit is en dat het project dwingende redenen van groot openbaar belang (met inbegrip van redenen van sociale of economische aard) dan wel het milieu dient. Werkzaamheden die niet vallen onder de noemer natuurbeheer moeten bovendien zodanig worden uitgevoerd dat er sprake is van zorgvuldig handelen.

Dit houdt in dat er geen "wezenlijke invloed" op beschermde soorten is en dat schade aan de soorten zoveel mogelijk wordt voorkomen, bijvoorbeeld door het nemen van mitigerende en/of compenserende maatregelen. Bij de toetsing wordt uitgegaan van de functionele leefomgeving van de individuen van de betreffende soort(en); als deze (tijdelijk) negatieve effecten ondervindt, is sprake van overtreding van verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet en is ontheffing nodig.

De meeste vogelsoorten zijn in het kader van de Flora- en faunawet alleen in de broedperiode beschermd. Dat betekent dat werkzaamheden niet ontheffingsplichtig zijn indien ze plaatsvinden buiten de broedperiode. Daarnaast zijn blijvende en meermaals gebruikte nesten in veel gevallen beschermd. Deze blijvende nesten zijn met name van vogels die nestelen in gebouwen of holen in oude bomen, en van roofvogels. Voor deze zogenaamde jaarrond beschermde vogelsoorten is vernietiging van de nestplaats ook buiten het broedseizoen ontheffingsplichtig. Een ontheffing voor het verstoren, verwijderen of vernietigen van nestplaatsen is in de praktijk zeer lastig te verkrijgen, omdat hiervoor belangen als volksgezondheid, veiligheid of bescherming van flora en fauna van toepassing moeten zijn op de activiteit. Middels mitigerende maatregelen dient aantasting van de functionele leefomgeving te worden voorkomen.

Ligging en effecten beschermde gebieden

Op afbeelding 21 is de ligging van de Ecologische Hoofdstructuur weergegeven. De kaart is afkomstig uit de Partiële herziening Provinciale Ruimtelijke Verordening, welke is vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 23 mei 2011. Het zuidwestelijk deel van het bestemmingsplangebied is aangewezen als EHS-gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.F1003BPSTD-OW01_0022.jpg"

Afbeelding 21: Ligging EHS en ecologische verbindingszone

De ecologische verbindingszone en het EHS- behoren tot de Groene AS. Een stuk in het zuidwestelijk deel van het plangbied is aangewezen als EHS. Dit gebied heeft in het vigerende bestemmingsplan grotendeels de functie van ecologische zone; enkele delen hebben de bestemming (agrarisch) bedrijf of bewoning. Langs het plangebied ligt een ecologische verbindingszone: de ringvaart van de Haarlemmermeerpolder. Deze moet kunnen functioneren als verbindingszone voor soorten als de Ringslang, de Waterspitsmuis en diverse vlindersoorten. Binnen het bestemmingsplan worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die invloed zullen hebben op deze verbinding. Het gebied dat dichtbij deze verbinding ligt heeft de functie natuur. De ecologische verbindingszone zal naar verwachting geen negatieve effecten ondervinden van de in het kader van het bestemmingsplan verwachte ontwikkelingen.

5.10.5 Conclusie

Naar aanleiding hiervan is bekeken welke effecten de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan hebben op de beschermde soorten. Op basis van het hetgeen is onderzocht kan het volgende worden geconcludeerd.

De functies in het bestemmingsplan komen niet goed overeen met de ligging van de EHS en de weidevogelgebieden. De inrichting van het bedrijventerrein deelgebied 2 zal naar verwachting een sterke aantasting van de geschiktheid als weidevogelgebied van de Tuinen van West betekenen. Bij realisatie van de inrichting zal naar verwachting compensatie moeten worden gerealiseerd. Er dient - in overleg met de Provincie Noord-Holland - nader te worden onderzocht hoe deze compensatie uitgevoerd dient te worden.

Meerdere soorten die bescherming genieten onder de Flora- en faunawet kunnen mogelijk voorkomen binnen het bestemmingsplangebied. Realisatie van de voorgenomen ontwikkeling kan leiden tot overtredingen van verbodsbepalingen uit deze wet, in welk geval ontheffing nodig is. Afhankelijk van de aard van de uiteindelijke ingrepen zijn eventueel mitigerende of compenserende maatregelen noodzakelijk. Tevens kan het zijn dat de wetgever eist dat bepaalde onderdelen van de locatie van ingreep niet worden verwijderd, zoals bomen of wateren. Ook dient altijd voldaan te worden aan de zorgplicht. Indien blijkt dat Westgaarde een belangrijke functie vervult voor boombewonende vleermuissoorten, is het behoud van het parkboskarakter van dit terrein naar verwachting essentieel. Voor zover bekend is het echter niet de bedoeling het karakter te wijzigen. Voor de overige genoemde soorten genoemd geldt dat de gunstige staat van instandhouding in de regio niet in het geding is. Mitigatie en compensatie zijn, indien noodzakelijk, realiseerbaar. Naar verwachting is er dan ook uitzicht op ontheffingsverlening voor de Flora- en faunawet, in het kader van de voorgenomen ontwikkelingen.

  • Indien watergangen gedempt of vergraven moeten worden, kunnen er negatieve effecten op (strikt) beschermde vis- en/of amfibiesoorten optreden. Het is aan te raden om in dat geval een gericht onderzoek te laten uitvoeren naar het voorkomen van beschermde soorten in de betreffende watergangen. Omdat de effecten zeer beperkt en lokaal van aard zullen zijn is het aannemelijk dat een ontheffing verleend zal worden. Compenserende en/of mitigerende maatregelen kunnen hierbij wel een vereiste zijn.
  • Bij werkzaamheden op Westgaarde en de onbebouwde percelen zijn effecten op Rugstreeppadden en eventueel Ringslangen niet op voorhand uit te sluiten. Aanvullend veldonderzoek moet te zijner tijd verduidelijken of deze soorten aanwezig zijn en of het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk is. Daarnaast moet voorkomen worden dat er op de bouwlocaties geschikt voortplantingswater voor de Rugstreeppad gecreëerd wordt. Indien blijkt dat de toekomstige bedrijventerreinen in de huidige situatie tot rugstreeppaddenleefgebied behoren, zal waarschijnlijk compensatie van leefgebied nodig zijn.
  • Als er, bijvoorbeeld voor de aanleg van nieuwe gebouwen, bomen gekapt of (oude) gebouwen gesloopt moeten worden, is aanvullend onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen, eekhoorns en vaste nesten van vogels noodzakelijk. Indien bij de kap dan wel de sloop verblijfplaatsen van vogels, eekhoorns en/of vleermuizen verloren gaan, dient voorafgaand daaraan duidelijk te zijn of alternatieve plekken beschikbaar zijn. Als die niet beschikbaar zijn, dient voor compensatie te worden gezocht, wat in het geval van boomholten erg lastig is. Het is daarom aan te raden om te streven naar het behoud van zoveel mogelijk oude bomen met holten.
  • Hoewel de kans klein geacht wordt, is niet uit te sluiten dat lokaal beschermde plantensoorten voorkomen. Door de betreffende exemplaren voorafgaand aan de vernietiging van de groeiplaats te verplanten naar nabijgelegen geschikt biotoop wordt schade aan de soort(en) voorkomen.