direct naar inhoud van 5.3 Luchtkwaliteit
Plan: Lutkemeerpolder
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0363.F1003BPSTD-OW01

5.3 Luchtkwaliteit

5.3.1 Algemeen

'Wet luchtkwaliteit'

Het wettelijke stelsel voor luchtkwaliteitseisen is weergegeven in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit wettelijke stelsel is van kracht sinds november 2007 en wordt ook wel de ‘Wet luchtkwaliteit’ genoemd.

In algemene zin kan worden gesteld dat de Wlk bestaat uit in Europees verband vastgestelde normen van maximumconcentraties voor een aantal stoffen. Hierbij gaat het om stoffen als zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx als NO2), fijn stof (PM10), koolmonoxide (CO), lood, benzeen, ozon, arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen.

Voor wat betreft de stoffen zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx als NO2), fijn stof (PM10), koolmonoxide (CO), lood en benzeen wordt in de Wlk aangegeven op welke termijn aan de normen voldaan dient worden en welke bestuursorganen verantwoordelijkheden hebben bij het realiseren van de normen. De normen zijn gebaseerd op recente inzichten van de WHO (World Health Organisation) in de mogelijke effecten van luchtverontreinigingen op de gezondheid van de mens. Voor bovengenoemde stoffen zijn grenswaarden geformuleerd. Voor de stoffen ozon, arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen zijn aanvullende richtwaarden opgenomen.

In Nederland zijn twee stoffen die problemen kunnen opleveren met betrekking tot overschrijding van de grenswaarden. Het betreft hierbij NO2 en PM10. NO2 wordt voornamelijk beïnvloed door het wagenpark (verkeersbewegingen). PM10 wordt beïnvloed door grote industriële bronnen (voornamelijk uit het buitenland), diffuse bronnen zoals het totale wagenpark, natuurlijke bronnen en in mindere mate door lokale bronnen. Voor alle andere stoffen uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer (waaronder benzeen, zwaveldioxide, lood en koolmonoxide) is (nagenoeg) geen overschrijdingsrisico.

Voor de componenten arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen geldt dat op basis van een RIVM rapport uit 2007 gesteld kan worden dat voor bovengenoemde stoffen in Nederland ruimschoots zal worden voldaan aan de richtwaarde. De componenten worden derhalve eveneens als niet-kritisch beschouwd.

Ten slotte geldt voor ozon dat deze component niet als zodanig door de mens in de atmosfeer wordt gebracht. Ozon wordt onder invloed van zonlicht gevormd (complexe chemie) vanuit de stoffen NOx, VOS, CO en CH4 (methaan). Voor ozon zijn derhalve geen grenswaarden gehanteerd maar richtwaarden aangezien lokale maatregelen geen effect hebben op lokale ozonconcentraties. Verlaging van de ozonconcentraties is derhalve op Europees niveau geregeld. De richtwaarden voor ozon zijn gekoppeld aan de verplichte emissieplafonds voor de componenten zoals hierboven beschreven (NECrichtlijn).

Mocht in de toekomst blijken dat de richtwaarden niet zullen worden gehaald, dan kan ervoor worden gekozen om de emissieplafonds aan te scherpen. Op basis van dit gegeven wordt ozon verder niet in beschouwing genomen.

Grenswaarden relevante componenten

Voor de Europese luchtkwaliteitseisen is aan Nederland ten aanzien van NO2 en PM10 op 7 april 2009 derogatie verleend. Dit betekent dat er uitstel is van de termijn waarbinnen Nederland aan de luchtkwaliteitseisen moet voldoen.

Voor zowel NO2 als fijn stof zal echter getoetst worden aan de strengst geldende jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10, te weten 40 µg/m3. Voor de uurgemiddelde grenswaarde van NO2 en de 24-uursgemiddelde grenswaarde van PM10 wordt ook uitgegaan van de strengst geldende grenswaarden, respectievelijk 200 µg/m3 (18 overschrijdingen) en 50 µg/m3 (35 overschrijdingen). Als gevolg van de dalende achtergrondconcentraties in de toekomst zal de luchtkwaliteit in de loop der jaren verbeteren. Derhalve kan gesteld worden dat wanneer voor het jaar 2011 aan de eisen uit de Wlk wordt voldaan, dit eveneens het geval zal zijn voor de toekomst.

Naast de 'Wet luchtkwaliteit' is ook de 'Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007' van kracht (verder: Rbl 2007). In deze regeling zijn onder meer regels vastgelegd over de manier waarop luchtkwaliteitsonderzoeken dienen te worden uitgevoerd. Daarnaast is in de Rbl 2007 een correctie opgenomen voor zwevende deeltjes, die zich van nature in de lucht bevinden en niet schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens, de zeezoutcorrectie. Dit betekent voor de toetsing dat de jaargemiddelde PM10 concentratie en het aantal overschrijdingen van de 24-uursgemiddelde grenswaarde gecorrigeerd mogen worden voor de bijdrage van natuurlijke bronnen. Voor de gemeente Amsterdam bedraagt deze correctie voor zwevende deeltjes 6 ìg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Het aantal berekende overschrijdingen van de 24-uursgemiddelde grenswaarde mag om dezelfde reden met 6 dagen worden verlaagd.

Vanaf 2015 geldt een grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5 van 25 µg/m3. Er is nu nog geen rekenmethode voorhanden om voor projecten de jaargemiddelde concentratie PM2,5 te bepalen. Wel zijn er verbanden bekend tussen de emissies van PM10 en PM2,5. Hieruit blijkt dat de kans zeer klein is dat de grenswaarde voor PM2,5 wordt overschreden op plaatsen waar aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan. Het ligt dan ook voor de hand om er voor dit bestemmingsplan van uit te gaan dat de conclusies voor PM10 ook gelden voor PM2,5.

Koppeling ruimtelijke ontwikkelingen en luchtkwaliteit

In de Wet Luchtkwaliteit is een flexibele koppeling aanwezig tussen ruimtelijke ontwikkelingen en luchtkwaliteit. Projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreinigingen hoeven niet afzonderlijk getoetst te worden aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen (in de vorm van grenswaarden). Projecten die wel 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging, worden in gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (zogenoemde overschrijdingsgebieden) in principe opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).Dit NSL houdt in dat het totaal aan maatregelen voor het verbeteren van de luchtkwaliteit in een gebied de negatieve effecten (alle geplande ruimtelijke projecten die de luchtkwaliteit verslechteren) ten minste moeten compenseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Indien een IBM-project niet in het NSL is opgenomen, kan het project eventueel alsnog doorgang vinden. Realisatie van een project is dan alleen mogelijk bij een expliciete toetsing aan de grenswaarden waarbij geen overschrijding door de aangevraagde activiteiten wordt veroorzaakt. Projectsaldering is eveneens mogelijk. Het begrip NIBM bijdragen speelt een belangrijke rol in de regelgeving en is uitgewerkt in het Besluit 'Niet in betekenende mate bijdragen''' en de Regeling 'Niet in betekenende mate bijdragen'''.

Het bestemmingsplan Lutkemeerpolder maakt een divers palet aan ontwikkelingen mogelijk, zoals een hotel en dergelijke. Voor deze ontwikkelingen kan niet aannemelijk worden gemaakt dat deze NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit.

5.3.2 Situatie Lutkemeerpolder

Meerdere locaties rondom en binnen Lutkemeerpolder zijn in 2010 getoetst aan de grenswaarden van de Wlk voor de componenten NO2 en PM10 (zie nr. 2, bijlage 1). Bij die toets is uitgegaan van de volgende ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan, te weten:

  • 1. Voor de reeds aanwezige bedrijventerreinen wordt Schipholgebondenheid niet geregeld in het bestemmingsplan; hetgeen mogelijk resulteert in gewijzigde bedrijfsemissies en gewijzigde verkeersaantrekkende werking;
  • 2. De realisatie van nieuwe horeca en de mogelijkheid tot realisatie van diverse andere bouwprojecten op het terrein Westgaarde; hetgeen resulteert in een toename van de verkeersaantrekkende werking;
  • 3. De realisatie van een speelnatuurgebied ter plaatse van de slibvelden; hetgeen resulteert in een toename van de verkeersaantrekkende werking;
  • 4. Het toekennen van een natuurbestemming aan de Tuinen van West; zal geen invloed hebben op de luchtkwaliteit;
  • 5. De aanleg van een bastion (een verhoging waar bezoekers van het natuurgebied een mooi uitzicht hebben); hetgeen resulteert in een toename van de verkeersaantrekkende werking;
  • 6. De realisatie van ondersteunende voorzieningen voor de bedrijvigheid (kopiëren, lunchen, etc.); hetgeen resulteert in een toename van de verkeersaantrekkende werking.

De jaargemiddelde achtergrondconcentratie voor NOx en PM10 is aan de hand van de Saneringstool 3.1 voor de jaren 2011 en 2015 bepaald op een aantal punten in de Lutkemeerpolder (zie afbeelding 16). Hiervoor zijn de GCN-achtergrondconcentratie, de lokale snelwegbijdragen van de A5 en de A9 en de luchtvaartbijdrage van Schiphol geaccumuleerd zonder rekening te houden met ingevoerde lokale maatregelen. Wel is er voor het jaar 2015 rekening gehouden met het doortrekken van de A5 vanaf knooppunt Raasdorp naar de A10-west. Deze accumulatie van bijdragen leidt tot een totale achtergrondconcentratie in het gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.F1003BPSTD-OW01_0017.jpg"

Afbeelding 16: Locaties van toetsingspunten

Aangezien de jaargemiddelde concentratie ten hoogste 40 µg/m3 mag bedragen voor zowel NOx als PM10, zou gesteld kunnen worden dat de planmogelijkheden voor Lutkemeerpolder maximaal een additionele bijdrage mogen leveren van respectievelijk 7,3 en 9,9 µg/m3 voor NOx en PM10. Hierbij is uitgegaan van het reeds in 2011 van kracht zijn van de strengste grenswaarde wat betekent dat dit dus een 'worst-case' beschouwing betreft.

Deze additionele bijdrage zou bestaan uit:

  • een verkeersaantrekkende werking door:
      • a. de jeugd penitentiaire inrichting; (was aan de orde in het voorontwerp bestemmingsplan)
      • b. nieuwe horeca op het terrein Westgaarde;
      • c. bouwprojecten op het terrein Westgaarde;
      • d. het natuurspeelgebied;
      • e. het bastion;
      • f. ondersteunende voorzieningen.
  • een mogelijk gewijzigde bijdrage van de bedrijven op de bedrijventerreinen.
5.3.3 Conclusie

Uit de immissiegegevens die voortkomen uit de ontwikkelingen zoals die in dit bestemmingsplan zijn opgenomen is onderstaande tabel te creëren. Hierin zijn de immissiebijdragen van de diverse ontwikkelingen bij elkaar op te tellen.

Ontwikkeling   Bijdrage NOx in µg/m3   Bijdrage PM10 in µg/m3  
GCN-achtergrondconcentratie (maximaal)   32,7   26,1  
Nieuwe horeca   0,11   0,03  
Bouwprojecten   0,85   0,23  
Natuurspeelgebied en bastion   1,06   0,28  
Ondersteunende voorzieningen   0,54   0,14  
Overige verkeersaantrekkende werking   1,06   0,28  
Gewijzigde bijdrage door bedrijventerreinen   0   0  
Totaal   38,0   27,5  

Tabel: Samenvatting van immissiegegevens

De jaargemiddelde concentraties voor NOx en PM10 leiden nergens in het plangebied tot overschrijding van de grenswaarden uit de Wlk. Hierbij is uitgegaan van een aantal aannames, te weten:

  • Er is per ontwikkeling uitgegaan van hoge verkeersaantallen;
  • Er is uitgegaan van berekende bronbijdragen met de “NIBM-tool” en de NIBM-tool gaat uit van 'worst-case' wegsituaties;
  • Er is getoetst aan de strengst geldende grenswaarden.

Omdat de bronbijdrage niet verandert ten opzichte van deze 'worst-case' situatie, en de achtergrondconcentratie zal afnemen in de toekomst, zal ook in navolgende jaren geen overschrijding plaatsvinden. Hiermee is in afdoende mate inzichtelijk gemaakt wat het effect van de ontwikkelingen in het nieuwe bestemmingsplan Lutkemeerpolder op de luchtkwaliteit zijn en dat het nieuwe bestemmingsplan voldoet aan de eisen en grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit.