direct naar inhoud van 5.1 Beleid, wet- en regelgeving
Plan: Amstelstation e.o.
Plannummer: M1006BPSTD
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0363.M1006BPSTD-OW01

5.1 Beleid, wet- en regelgeving

5.1.1 Rijksbeleid

Nota Mobiliteit (2009)
De nota Mobiliteit geeft de volgende beleidsdoelen aan:

  • het verbeteren van de internationale bereikbaarheid;
  • het verbeteren van de interne en onderlinge bereikbaarheid van de nationale stedelijke netwerken en economische ontwikkeling;
  • een goed functionerend systeem voor het vervoer van personen en goederen als essentiële voorwaarde voor economische ontwikkeling;
  • het inzetten op proces- en technologie-innovatie ter realisering van de beleidsdoelen.

De uitgangspunten bij het realiseren van deze beleidsdoelen zijn betrouwbare reistijden, vlotte en veilige verkeersafwikkeling binnen de (inter)nationale wettelijke en beleidsmatige kaders van milieu en leefomgeving. De nota Mobiliteit bevat tevens beleid met betrekking tot verkeer, vervoer en verkeersveiligheid voor decentrale overheden (zie verder hoofdstuk 6). Dit bestemmingsplan past binnen de Nota Mobiliteit.

5.1.2 Regionaal beleid stadsregio Amsterdam

Het Regionaal Verkeer & Vervoerplan (2004)
Het Regionaal Verkeer & Vervoerplan (RVVP) van de stadsregio de Stadsregio Amsterdam is het beleidskader op het gebied van verkeer en vervoer van de stadsregio Amsterdam. Het is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling voor 10 jaar, voor de uitvoering van de exploitatie van het openbaar vervoer en de subsidieverlening op het gebied van infrastructuur en verkeersveiligheid. Dit RVVP is opgesteld binnen de ambities die de stadsregio-gemeenten gezamenlijk hebben geformuleerd. Deze ambities zijn: het creëren van een gezonde, gedifferentieerde economie met internationale concurrentiekracht, het bieden van een goed sociaal klimaat aan de inwoners en het zorgen voor een duurzame leefomgeving. De hoofdlijnen van beleid zijn samen te vatten in een aantal strategieën: een samenhangend netwerk, gebiedsgerichte aanpak, prijsbeleid, duidelijke keuzes voor leefbaarheid en veiligheid en een slagvaardige samenwerking en financiering.

Uitvoeringsprogramma Regionaal Verkeer & Vervoerplan (2009)
Het Uitvoeringsprogramma richt zich op acties en maatregelen om doelen uit het Regionaal Verkeer & Vervoerplan te realiseren. De planontwikkeling voor 'Amstelstation e.o. wordt benoemd onder 'speerpunt B: Regionaal openbaar vervoer. Er wordt voorzien in de verbetering voorplein station Amsterdam Amstel met nieuw busstation, verleggen tramlus en aanpak verkeersafwikkeling. Het project loopt samen op met de gehele ruimtelijke herinrichting van het gebied en het toevoegen van extra functies.

5.1.3 Gemeentelijk beleid

Nota Locatiebeleid Amsterdam (2008)
Aan de Nota Locatiebeleid Amsterdam ligt ten grondslag dat de gemeente Amsterdam de ambitie heeft geformuleerd om van Amsterdam een Topstad te maken. Bedrijven - groot of klein, internationaal, nationaal regionaal - moeten in Amsterdam een attractieve plek kunnen vinden om het bedrijf goed te kunnen laten functioneren. Een belangrijk aspect daarbij is een uitstekende bereikbaarheid van deze plekken.

Het locatiebeleid Amsterdam heeft tot doel de bereikbaarheid van (werk)locaties te garanderen en daarmee een gezond woon-, leef- en vestigingsklimaat te behouden en de economische positie van Amsterdam te versterken.

Het beleid hanteert de volgende uitgangspunten:

  • verbetering bereikbaarheid werklocaties. Het Amsterdamse locatiebeleid moet zodanig worden vormgegeven dat werkgebieden bereikbaar blijven en daarmee een gezond vestigingsklimaat wordt gegarandeerd;
  • verbetering concurrentiepositie. Het Amsterdamse beleid moet passen binnen de in het Regionaal Verkeer- en Vervoerplan (RVVP) gestelde kaders om rechtsongelijkheid en concurrentievervalsing binnen de Stadsregio te voorkomen. Daarom worden de in het RVVP opgenomen richtsnoeren voor parkeernormen overgenomen in het Amsterdamse beleid;
  • hantering parkeernormen. Parkeernormen zijn een effectief en essentieel instrument om de bereikbaarheid en leefbaarheid van de stad te waarborgen. Het locatiebeleid bevat naast parkeernormen voor kantoren, ook parkeernormen voor overige functies (winkels, horeca, culturele voorzieningen, sportvoorzieningen, zorgvoorzieningen, onderwijsvoorzieningen, congresfaciliteiten, leisure, religie, begraafplaatsen, etc.).

Parkeernormen
De parkeernormen voor kantoren voor kantoren en bedrijven bedragen op A-locaties 1 parkeerplaats per 250 m2 bvo en op B-locaties1 parkeerplaats per 125 m2 bvo. A-locaties bevinden zich rondom de belangrijkste NS-stations en B-locaties zitten in de directe omgeving van ringlijn/metrolijnstations en overige NS-stations of liggen binnen het tram/busnetwerk.
Echter daarnaast wordt de mogelijkheid gegeven om in bepaalde gevallen van deze vaste normen te kunnen afwijken. Flexibele toepassing van parkeernormen kan alleen als de luchtkwaliteit en de intensiteit/capaciteit van het wegennet dit toelaten. Dit zijn harde randvoorwaarden.
Voor overige niet-woonfuncties (bijvoorbeeld leisure, hotels, congresruimten en winkels) worden de zogenaamde CROW-parkeercijfers (dit zijn op de praktijk gebaseerde kencijfers gehanteerd, die zijn ontwikkeld als hulpmiddel bij het berekenen van het aantal aan te leggen parkeerplaatsen bij een bepaalde voorziening).Deze parkeercijfers zijn aangepast aan de Amsterdamse situatie.

Het bepalen van het aantal parkeerplaatsen is afhankelijk van beleid, locatie, openbare toegankelijkheid en de mogelijkheden voor ruimtelijke inpassing van gebouwde parkeervoorzieningen. In een parkeerbalans kan bijvoorbeeld worden bekeken of gecombineerd gebruik van parkeerplaatsen mogelijk is.

Er is gekozen voor vaste parkeernormen voor kantoren en bedrijven, maar met de mogelijkheid om in bepaalde gevallen daarvan af te kunnen wijken. Zowel bij deze normen als bij de CROW-cijfers kan een bandbreedte worden gehanteerd. Flexibele toepassing van parkeernormen kan alleen als de luchtkwaliteit en de intensiteit / capaciteit van het wegennet dit toelaten. Beide zijn harde randvoorwaarden. Wil men voor een bepaalde locatie of stadsdeel gebruik maken van de flexibiliteitoptie, dan dient het afwijkingspercentage te worden opgenomen in het bestemmingsplan evenals de criteria op grond waarvan afgeweken mag worden. De bandbreedte kan variëren per gebied. De criteria zijn:

  • kwaliteit en kwantiteit van het openbaar vervoer;
  • mobiliteitsmanagement;
  • dubbelgebruik parkeerplaatsen;
  • de vestiging van bestuurlijk wenselijke functies.

Voor de woonfunctie zijn geen normen of richtlijnen opgenomen. Stadsdelen of de centrale stad in geval van grootstedelijke gebieden, kunnen zelf deze normen voor wonen opnemen in hun parkeerbeleid of vastleggen in grondexploitatie of erfpachtcontract. Deze normen worden niet centraal geregeld, aangezien de parkeernorm in hoge mate afhankelijk is van de locatie en het type woning (zie verder paragraaf 5.4).